Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

29. De Zeeman

“In de diepzee leven vissen die hun prooi lokken met een lichtgevend orgaan dat aan een soort hengel voor hun bek hangt”, zei de man. “Een andere vis ziet dat lichtje, denkt ‘ha, die tent is nog open, tijd voor een vlugge snack’ en voor hij het weet ís hij de snack.”

De spreker was een wat morsige man van onbestemde leeftijd, maar beslist niet jong. Van onder zijn pet ontsnapten slechts een paar dunne sliertjes grijs haar. Zijn grijze stoppelbaard bedekte zijn kin en wangen onregelmatig, alsof zijn huid op sommige plekken te stug was om te doorbreken. Zijn neus was plat en scheef. De pijp, gesneden uit zeeschuim en die hij haast niet uit zijn mond nam, brandde niet. Hij droeg een wijde grijze broek en een donkerblauwe kiel, beide vaal en vaak gerepareerd.

Ieder van ons had een grijsblauwe fles voor zich op tafel staan. De man had die op fluistertoon bij Ouwe Luuk zelf besteld. We kregen er geen glas bij en de flessen hadden geen etiket. Luuk en de man weigerden ons te vertellen wat erin zat.

“De mannetjes van die vissoort zijn kleiner dan de vrouwtjes — veel kleiner. Ze zuigen zich vast op het lijf van een vrouwtje als een puist en parasiteren de rest van hun leven op haar. Feitelijk voeren ze nooit een klap uit, behalve af en toe seks, en dáár voelt het vrouwtje niets van. Waarom moet ik nu toch denken aan mannen die ik heb gekend?” Het was Siobhan die dat zei, niet de morsige man.

“Aye, dat doen ze”, zei de man. “Jouw kennis van de diepzee is een toost waard!”

Hij hief zijn fles en nam een slok. Wij volgden aarzelend zijn voorbeeld.

Zout! De drank was zout als pekel. Ik kon een kokhalsreflex nog maar net onderdrukken. Ik hoorde ook verdachte geluiden van de anderen rondom de tafel. Toch, als je het zout wegdacht, had de drank een verrassend rijke smaak.

De man stelde zich voor als De Pontos. Het werd ons niet duidelijk of dat een naam of een titel was.

“Nog veel dieper dan deze vissen”, ging De Pontos verder, “leven wezens die bestaan uit een netwerk van lange dunne draden, meestal georganiseerd in een wielvorm met spaken. Het zijn geen vissen, het zijn geen wieren, maar een soort weekdieren. Ze drijven horizontaal in het water als grote webben, soms meerdere meters in doorsnee, en leven van het organische materiaal dat uit hogere lagen naar beneden zweeft en dat ze met hun webvorm opvangen en vervolgens verteren. Zij zijn de reden dat geen verdronken zeeman ooit de bodem van de diepzee bereikt.”

We keken peinzend naar de regen die tegen de ramen kletterde terwijl we ons voorstelden hoe een drenkeling gevangen en verteerd werd door een web in de diepzee.

“Het wordt nog mooier”, zei de man. “De webben zijn traag en hebben geen verdediging. Een bepaald soort octopus heeft zich aangepast op een parasitair leven op die webben. Hij zit in het midden van het web, met zijn acht armen voelend aan de spaken. Als er een groter stuk voedsel op het web landt voelt hij dat, en steelt het.”

Ik vroeg me af of deze perversie van een spin en zijn web in de aardedonkere zee nog terug zou komen in mijn dromen. Vermoedelijk wel, en ik besloot nooit meer te slapen.

“Die hengelvissen kende ik”, zei Siobhan, “maar hiervan had ik nog nooit gehoord. Hoe weet je dat allemaal?”

“Ik ben altijd zeeman geweest” antwoordde De Pontos.

Hij vervolgde mijmerend: “Nog dieper, op de diepste bodem… waar geen licht ooit komt, ligt het monster van Tennyson, dat zelfs de goden vrezen en dat ze daarom met de belofte van mooie dromen hebben overgehaald om te slapen tot het eind der tijden…”

Het was even stil. Toen vroeg Valerie: “En, heeft hij die?”

“Wat?” vroeg de man, verward.

“Mooie dromen, natuurlijk”, zei Valerie.

“Hoe moet ik dat weten?” bitste De Pontos. “Zie ik eruit alsof ik door dromen kan zwemmen?”

We dronken nog wat uit de ongeëtiketteerde flessen. Aan de zilte smaak was ik nu gewend, en ik proefde noten van sidderaal en inktvisinkt, met een zwakke hint van vergane schepen.

“Indrukwekkende kennis”, zei Siobhan. “Hoeveel jaar heb je gevaren?”

“Gevaren?” vroeg de man, niet begrijpend.

“Als zeeman. Je bent toch zeeman?”

“Ja,” zei De Pontos, “zeeman. Niet bootman.”

De kroeg van Ouwe Luuk heeft alle kenmerken van een havencafé. Veel van zijn gasten zijn reizigers van verre vreemde kusten, of zeelui die oceanen bevaren die niet helemaal op deze wereld liggen. Mijn stad ligt ver van zee, en ik heb Luuk eens gevraagd hoe het komt dat er toch zo veel bevaren personen in zijn kroeg komen.

“Die deur waardoor jij binnenging komt niet alleen in jouw stad uit, maar in elke belangwekkende plaats,” zei Luuk, “iedere plaats waar belangwekkende personen komen. Veel daarvan zijn havensteden, natuurlijk.”

De zee-man vertelde: “In de Keltische zee, tussen Ierland en de Golf van Biskaje, ligt een stad onder de golven die vroeger meer dan een miljoen inwoners telde. Vierduizend jaar geleden gezonken, en toen was hij al duizend jaar oud. Slechts een paar vissers die ver op zee waren hebben het overleefd.”

“Ach kom,” zei Leo, “als dat zo was dan was die stad allang ontdekt. Zo diep is die zee niet.”

“Dat klopt”, antwoorde De Pontos. “Maar de stad is na al die tijd ook verborgen door een dikke laag slib.”

Buiten was de regen opgehouden. De bewolking begon al een beetje te breken.

Leo peinsde: “Die verzonken stad… laten we hem Atlantis noemen, dat klopt wel met de tijd en de plek die je noemde. Vertel eens zeeman, waarom zonk Atlantis? Als straf voor een zondig leven?”

“Ik heb nog nooit meegemaakt dat mensen opeens rechtschapen werden na hun verdrinkingsdood, en geloof me: ik heb veel verdronken matrozen langs zien zinken. Nee, het was gewoon tijd om terug te nemen wat van ons was.”

We moeten De Pontos nogal dommig hebben aangekeken, want hij grinnikte en vervolgde:

“Op de derde dag werd het water van het land gescheiden. Dat is een onnatuurlijke regeling die het water berooft van zijn rechtmatige plek. Ooit zal die scheiding ongedaan gemaakt worden en zal alles onder de hemel weer water zijn. Van ons.”

Het klonk niet dreigend; het klonk als de simpele constatering van iemand die zeker is van zijn zaak.

“Je haalt Genesis aan”, merkte Leo op. “Daarin staat ook dat er een belofte is gedaan.” Hij gebaarde naar het raam. De zon was doorgebroken en de hemel werd gesierd door een indrukwekkende regenboog.

De zeeman lachte schamper. “Een vluchtige optische illusie. En dat accepteren jullie als een belofte? Over een paar minuten is hij weer weg.” En inderdaad, de regenboog begon al te vervagen. “Bovendien: ditmaal doen jullie het zelf.”

“Als jij een man van de zee bent, wat doe je dan hier?” vroeg Valerie.

“Dit is laag land, de zeespiegel rijst snel, en er valt steeds meer regen”, zei de zeeman. “Ik kom alvast onze volgende aanwinst inspecteren.”


Ik ben op zoek naar een leuk, betaalbaar huisje in de bergen. Als jij er een te koop weet staan, geef me dan een seintje. Ik wil hier met enige spoed weg.

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2020 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén