Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

6. Onder IJs

“Kennen jullie de Fimbulwinter?”

Vrijdagavond bij ouwe Luuk in de kroeg. We waren met zijn vieren vanavond: Laurent, Johan, Fred, John en ik. O, dat zijn er vijf — ik was mezelf vergeten. Johan had een gast meegenomen, Erik.

Johan introduceerde hem als een klimaatwetenschapper van een verre universiteit. Voor een zeker project was hij nu hier in de stad, tijdelijk verbonden aan het instituut waar ook Johan werkte. Om Erik niet alle avonden op zijn hotelkamer te laten zitten had Johan hem meegenomen, ook in de hoop dat hij wat interessants te vertellen had.

Die hoop kwam uit. Erik — een lange blonde vent wiens overgrootouders uit Zweden kwamen — wist boeiend te vertellen over zijn vakgebied. Uiteraard kwam de opwarming van de aarde aan de orde. Hierbij maakt hij gehakt van hen die dachten iets over klimaat te kunnen zeggen omdat ze weleens een thermometer aflazen.

“Natuurlijk is het wel eens warmer geweest dan nu. Kouder trouwens ook. Maar het klimaat waarin dinosauriërs gedijden is niet goed voor de mens. Daarbij komt dat je negentig procent van de mensheid moet verhuizen als de zeespiegel serieus stijgt.”

Hij nam nog een slok bier. Tot dusverre had hij kalm gesproken, maar dit laatste was er vrij heftig uitgekomen.

“En eigenlijk is de vraag of de mens verantwoordelijk is voor de opwarming niet zo bijster interessant. Wat we moeten weten is of de mens er een eind aan kan maken.”

De zomeravond buiten liep ten einde; de weinige ramen lieten steeds minder zien van wat buiten was en spiegelden steeds meer de gasten in de kroeg. Er vond een kleine, haast onmerkbare verandering plaats in de atmosfeer, in de spanning die in de kroeg hing. Ik had het al eens eerder gevoeld. Het luidde vaak een verschuiving in van de gesprekken, richting het onalledaagse.

“Ja,” mijmerde Erik, “Het is warmer geweest en kouder. Het een wisselt het andere af, soms heftig, soms mild. Er zijn tropische perioden geweest op de polen, en perioden waarin de hele wereld echt één grote ijsbal was. En hoe het komt?”

Hij maakte zijn glas leeg. Johan wenkte Astrid om nog een ronde.

“Kijk — ik ben klimaatonderzoeker. We hebben uitgebreide en ingewikkelde modellen gemaakt waarmee we het klimaat kunnen begrijpen. We kunnen veranderingen verklaren en grotendeels zelfs voorspellen. Maar er zijn andere manieren om ernaar te kijken… Ook in de vroegere tijd van de mens waren er klimaatveranderingen die men wilde verklaren.”

Erik zweeg even en vertelde toen hoe zijn ouders een aantal jaren daarvoor waren overleden. In hun nalatenschap was hij een handgeschreven boekje tegengekomen.

“De tekst erin was oud, middeleeuws. Het boekje zelf was nog geen tweehonderd jaar oud; het moet overgeschreven zijn. Misschien wel meerdere keren, in de loop der eeuwen. Ik vermoed dat de tekst van een verre voorvader van me is, maar dat weet ik niet zeker.”

Wij luisterden aandachtig. Verhalen met wortels diep in de tijd zijn de mooiste.

Erik vervolgde: “Met behulp van een vriend die taalkundige is kon ik de tekst dateren op ongeveer 1400 en uit het Oudzweeds vertalen. Het was een soort dagboekje. Met daarin één heel bijzondere herinnering… Wacht. Ik zal proberen het te vertellen zoals het er stond. Verkort, natuurlijk.”

Erik leek wat donkerer, wat kleiner te worden. Toen hij weer sprak klonk zijn stem alsof hij veel ouder was geworden.

“Dertig jaar geleden schaatste ik op het ijs van de Vispsjön. De winter was bijna ten einde en het ijs was al dunner. We hadden veel mooie, warme zomers gehad en ik verwachtte dat het ijs binnenkort weer weg zou zijn. Ik was alleen, schaatste voor mijn plezier. Het was afgelegen, er was niemand in zicht. Een bepaald stuk in het ijs was heel glad en heel donker, bijna zwart. Het ijs was daar erg helder, goed doorzichtig en je kon het donkere water eronder zien. Ik was er op de heenweg overheen gekomen, en toen ik op de terugweg er weer over schaatste zag ik het:
Er lag iemand onder het ijs.”

“Ik schrok. Ik schrok enorm. Het was een vrouw, lang, knap maar met strenge trekken. Ze was gekleed als aristocrate. Languit, ruggelings lag ze, haar open ogen tuurden omhoog door het ijs. Later pas vroeg ik me af hoe ik dat soort details door het ijs heen kon zien.”

“Ik zocht een steen op de oever, en begon op het ijs in te hakken om haar eruit te kunnen halen. Voorzichtig, om er zelf niet doorheen te zakken. Ik was al een eind – het ijs zou in een paar tikken door zijn – toen ze bewoog. Ik keek verstijfd toe hoe ze langzaam haar hoofd draaide naar de zwakste plek. Toen schoten opeens haar armen uit en ze begon aan het ijs te klauwen. Ik krabbelde overeind, van de zwakke plek vandaan, en schaatste in een ruk naar huis. Doodsbang. Toen ik vijftig meter ver was hoorde ik achter mij ijs breken.”

“Ik heb nooit meer bij die plek in de buurt durven komen.”

Erik haalde diep adem, reutelend als een oude man. Hij vervolgde, met een gebroken stem:

“Nu hebben we dertig jaar van steeds slechtere zomers en steeds strengere winters achter de rug. De oogst brengt steeds minder op, zodat we ons nu genoodzaakt zien weg te trekken, naar een plek waar het beter is. Naar het zuiden.”

“En nog steeds vraag ik me af: wat lag daar onder het ijs? Heb ik er de hand in gehad de IJskoningin te bevrijden voor het haar tijd was?”

“Ben ik schuld aan het ongeluk dat ons trof?”

Erik haalde diep adem, ging rechter op zitten en leek weer te groeien. Wij wachtten stil tot hij het woord weer nam, met zijn eigen stem.

“Zie je,” zei hij, “een ooggetuigenverslag van het begin van de kleine ijstijd. Die heeft zo’n vijfhonderd jaar geduurd. Mijn voorvader had onze klimaatmodellen niet, maar hij had toch een verklaring voor de strenge winters. Een uit eigen ervaring nog wel. En wie zegt mij dat die verklaring niet klopt? Modellen en mythologie — ze zouden beide waar kunnen zijn. Verschillende manieren om naar hetzelfde te kijken.”

Erik nam een grote slok van zijn bier.

“En daar maak ik mij zorgen over. Mijn voorvader bevrijdt een ijskoningin en vooral Europa zucht vijfhonderd jaar onder een kleine ijstijd. Let wel. Een lokale ijsgeest, in een klein meertje ergens in Zweden. Waar ik nu bang voor ben:”

“Over enkele jaren zal de ijskap op de noordpool gesmolten zijn. De hele fucking noordpool. Een paar miljoen vierkante kilometer ijs. Wat, wie ligt daaronder? En wat gaat zij ons brengen?”

“Kennen jullie de Fimbulwinter?”

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén