Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

7. Erwin

“Gelooft u dat de ziel bestaat?”

De man tegenover me was duidelijk van het gekke-uitvinderstype. Verwilderde blik, verwaaid grijs haar, verfomfaaide kleren en een een bril van pantserglas. Een jaar of zestig, schat ik. Hij was ongevraagd tegenover me gaan zitten toen ik alleen aan een tafeltje zat te wachten tot mijn vrienden binnenkwamen. Wegens omstandigheden die ik niet uit de doeken zal doen was ik die vrijdagavond wat vroeger bij Ouwe Luuk dan gewoonlijk.

Ik dacht na over een diplomatiek antwoord. Afwezig streelde ik Erwin, de kat van het etablissement, die op mijn schoot lag te slapen.

“Hebben mensen een ziel, denkt u?” De man was niet het geduldige type.

Ik vroeg me af of ik me niet vergist had. Was het niet toch een zendeling, uit op mijn bekering? Normaal gesproken houd ik me redelijk op de vlakte bij dit soort kwesties, maar ik besloot hem een beetje af te schrikken.

“Ik geloof alleen in de stoffelijke, materiële wereld,” zei ik. “Alles wat bestaat kan gemeten en gekend worden.”

De man kraaide van plezier. De kat keek verstoord op.

“Heel goed, heel goed! Precies wat ik ook vind!” Hij wipte van pret op en neer op zijn stoel. Ik stelde mijn diagnose bij naar gekke uitvinder; of misschien wel gewoon gek.

“U moet weten,” ging hij verder, “ik ben wetenschapper. Ook ik geloof in een stoffelijke wereld; niks geen bovennatuurlijke poespas. Laat me u een verhaal vertellen — maar wacht, eerst de keel smeren.”

Hij wenkte Astrid voor een bestelling, waarvan ik me afvroeg wie hem straks zou betalen.

“Ahhh,” zei hij, na zijn eerste slok. “Spiritualiën. Eenvoudige scheikunde, ondanks de naam. Nee, ik geloofde niet in zielen. Maar toen overleed mijn vrouw, en ik had het gevoel dat er meer verdween dan de levensgeesten. Natuurlijk wist ik dat ik waarschijnlijk mezelf voor de gek zat te houden, maar ik besloot er toch een systematische studie van te maken. Een hobby. Of rouwverwerking, zo u wilt.”

De man had geen krimp gegeven toen hij over zijn dode vrouw sprak. Of het was al lang geleden, of hij was geobsedeerd door zijn ideeën.

Hij ging verder: “‘Systematisch’, zei ik. Ik heb alle facetten en manifestaties van de bekende materie en energie onderzocht. Zelfs, maar dat vooral theoretisch, de onbekende donkere materie en donkere energie.”

Hij huiverde. “Die blijken overigens nog akelige implicaties te hebben, maar dat doet er nu even niet toe.”

“Massa en energie! Alle bekende vormen van straling en een paar onbekende. Alle canonieke deeltjes een een aantal dat op de codex staat. Excitaties! Fases! Polarisatie!”

Zijn uitroepen wekten de belangstelling van de overige clièntele en het ongenoegen van de kat, die mopperend ging verliggen. De man ging verder op een fluistertoon.

“Polarisatie en excitatie, dat was het geheim. Ik zal verder niet in details treden.”

Hij leunde tevreden achterover. Toen hij zag dat ik niet snapte waar hij heen wilde, voegde hij toe:

“De ziel. Zij bestaat. En het is iets wat waargenomen, wat gemeten kan worden.”

Hij haalde een klein vierkant kistje tevoorschijn en zette het voor zich op tafel.

“Een zieldetector,” zei hij trots. “Vier jaar aan gewerkt.”

Ik bestudeerde het apparaatje voor zover dat kon zonder van mijn plaats te komen. Ik wilde Erwin niet storen voor deze gek. Het was een eenvoudig blank-houten kistje van circa vijftien bij vijftien centimeter. Bovenop zat een metertje, waarvan het wijzertje recht naar mij wees.

“Mooi,” zei ik, terwijl ik hoopte dat de rest snel zou binnenkomen en ik deze man kon afpoeieren.

“Ik bouwde deze detector en ging hem gebruiken,” mijmerde de man. “Weet u — ik heb ooit iemand de zinsnede ‘stoelendans der verloren zielen’ horen gebruiken. Een prachtig poëtisch concept, dat meteen het beeld oproept van zielen die strijden om een schaars nieuw-geboren lichaam te mogen bezetten. Maar, tot mijn verrassing, was het eerder andersom. Toen ik mijn detector probeerde, merkte ik dat er meer lijven dan zielen zijn.”

Hij boog zich naar mij voorover. “Ja, dat hoort u goed,” zei hij alsof ik blijk had gegeven van grote onsteltenis. “Het overgrote deel van de mensen, van de lichamen in de wereld, bevat geen ziel.”

Hij leunde weer achterover met een uitdrukking alsof hij de grootste en schokkendste geheim van de mensheid had ontdekt. Ik moet bekennen dat ik niet erg onder de indruk was, en ook geen moeite deed om te doen alsof.

Mijn gebrek aan reactie leek de man niet af te schrikken. Plechtig ging hij verder:

“Het grootste deel van mensheid is niet echt. Is niet bezield. Ze dient alleen als vulling, als decor voor de échte mensen, mét ziel. Nog niet één procent van de mensen heeft een ziel…”

Hij dronk zijn glas leeg.

“Sinds ik dat weet ben ik op zoek. Zoals Diogenes zoek ik de mens, de echte mens, niet met een lamp maar met mijn detector. En raad eens…”

Hij wees op de meter die nog steeds mijn kant op wees.

“Ik heb je gevonden.”

Ik was niet verrast. Ik heb mezelf altijd al als een echt mens beschouwd.

Tot mijn opluchting vloog op dat moment met veel kabaal de deur van de kroeg open en kwamen Johan en Maurice binnen. Ik kwam half overeind om hen te begroeten. De kat sprong kwaad van mijn schoot en liep naar achteren richting de keldertrap.

“Het spijt me,” zei ik, “maar daar zijn mijn vrienden…”

“Oh, ik begrijp het,” antwoordde de man. “Ik spreek u later nog…”

Terwijl hij sprak was hij opgestaan en had zijn apparaatje weer opgepakt. Nu viel hij stil met een verbijsterde blik erop.

“Ja, tot later,” zei ik, terwijl ik Johan en Maurice wenkte. De man reageerde niet meer. Hij keek me nog bevreemd aan — nee, eerder teleurgesteld — en liep toen langs mij heen naar achteren.

Terwijl ik en mijn maten Astrid wenkten om een bestelling op te nemen, hoorde ik de man in de verte roepen.

“Poes! Poes poes poes! Kom dan, poes!”

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén