Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

28. De Reiziger

Toen ik vorige zaterdag wakker werd vond ik het volgende op mijn nachtkastje, haastig gekrabbeld op het notitieblok dat ik daar altijd heb liggen. Ik herinner me niet dat de vrijdagavond bij Ouwe Luuk zo ging. Ben ik ’s nachts wakker geweest om een droom op te schrijven? Ik weet het niet.

“Hoeveel dromen zijn er?”

We keken de vraagsteller ietwat bevreemd aan. De man had iets buitenissigs, nee, eerder sprookjesachtigs. Hij was binnengekomen in een lange rode cape die nat was van de regen. (Het motregende licht; hij moest lang buiten gelopen hebben.) Hij droeg hoge laarzen waar hij duidelijk al vele kilometers mee had afgelegd. Toen hij zijn capuchon afdeed bleek hij verrassend jong te zijn, met krullend blond haar en baardje. Zijn cape hing te drogen aan de kapstok, en zijn twee meter lange wandelstaf stond ernaast. Nu zat hij aan onze stamtafel bij Ouwe Luuk, en bleken zijn lichtblauwe ogen dromerig zijn. Hij had een beker hete papaverthee besteld, waar hij voorzichtig aan nipte.

“Hoeveel dromen? Wil je een exact aantal weten, of een grove schatting?” De wedervraag van Valerie was licht spottend.

De man had zich voorgesteld als de Reiziger, zonder een naam te noemen. Hij glimlachte vriendelijk naar Valerie.

“Zo goed als je kunt. Je zult ernaast zitten, maar ik zal je niet afrekenen op je antwoord.”

Zijn toon was volstrekt serieus.

“Er zijn een aantal dromen die vaak terugkomen, en die iedereen wel eens heeft…” mijmerde Valerie. “Ergens zijn en merken dat je geen kleren aan hebt. Of dat je valt.”

“Dat je weer op school zit. Achtervolgd worden, en haast niet vooruit komen hoe hard je ook rent; alsof je door stroop waadt”, vulde Leo aan.

“Of dat je vastgebonden bent aan een reuzenkomkommer en dat drie tapirs je stukje bij beetje opeten. Die is ook heel gewoon” viel Thomas hen bij. “Wat? Kijk niet zo naar me. Die droom heeft iedereen toch wel eens?”

De Reiziger glimlachte weer. “Alle mensen delen een beperkte verzameling dromen”, zei hij. “Natuurlijk kleurt ieders ervaring en fantasie elke droom net iets anders in, dus er zijn veel variaties. Maar uiteindelijk zijn er maar zeventien basisdromen voor mensen. Heb je ooit meegemaakt dat je een droom aan iemand vertelde, en dat die persoon stomverbaasd zei dezelfde droom te hebben gehad? Dezelfde nacht?”

Valerie en Thomas knikten.

“Iedere nacht hebben ontstellend veel mensen dezelfde droom. Alleen omdat we ons onze dromen zo zelden herinneren, en nog veel minder vaak vertellen, valt dat niet zo op. Daardoor lijkt het zeldzaam, en dus bijzonder, als we het wel een keer merken.”

De Reiziger had zijn thee op en wenkte Astrid. “Een rondje Nachtmerrie voor de hele zaak”, zei hij. “En vertel eens Astrid, wanneer heb jij voor het laatst gedroomd?”

“Ik slaap nooit, Reiziger. Men droomt gewoonlijk óver me”, antwoordde Astrid, en liep weg om de drank te halen.

“Zeventien?” vroeg ik. “Ik zou gedacht hebben dat er veel meer zijn…”

“Nee, zeventien”, antwoordde de Reiziger. “Voor mensen, althans.”

Astrid bracht vijf glazen Nachtmerrie, die ons de volgende paar minuten bezig hielden. Het is een drank die je zwetend en met hartkloppingen achterlaat, blij dat je je glas leeg hebt. Na Nachtmerrie ben je beslist goed wakker.

“Zeg eens,” ging de Reiziger verder toen we weer adem hadden, “weet je zeker dat je nu niet droomt? Dat je dit gesprek, deze mensen, deze plek niet droomt?”

Ik keek het lokaal rond. “Ik zie Luuk en Astrid achter de glimmend gewreven toog, scherp alsof ze voor me staan. Ik ruik de dubbele tosti met ui die Luuk aan het bakken is voor de klant die aan de bar zit. Ik hoor de oorhangers van Astrid, die elk bestaan uit twee zilveren staafjes hangend aan een kettinkje, tegen elkaar rinkelen met het geluid van ver-verwijderde kerkklokken op een mistige zondagochtend. Op de vensterbank onder het raam waar we aan zitten liggen drie dode vliegen, waarvan twee op de rug. De slang die zich heeft gewikkeld rond de lamp boven onze tafel en het snoer waar hij aan hangt, slaapt, genietend van de warmte, en zal voorlopig geen bedreiging vormen. Alles is aanwezig in haarscherp detail en zonder de buitenissigheden die je van een droom zou verwachten. Ja, ik weet zeker dat ik niet droom.”

“De stoel waarop ik zit is wankel en oncomfortabel”, zei Thomas. “Dat voel ik duidelijk. Ik zie de nerven in het hout van onze tafel, en de kringen die zo diep geëtst zijn dat ze nooit meer weggepoetst zullen worden. Als jullie even stil zijn hoor ik het getrippel van de vuurhagedissen die elkaar tussen de tafelpoten achterna zitten. De jukebox en de flipperkast in de hoek zijn er altijd geweest, en het geflikker van de lichtjes van de laatste is nog steeds even irritant. Alles is compleet en correct aanwezig, zonder de vaagheid en afwijkingen die dromen kenmerken. Ik ben beslist wakker.”

“Het vuur in de haard oogt zeer realistisch,” betoogde Valerie, “evenals de flakkerende schaduwen die dat op de muren werpt. Enkele van die schaduwen maken dreigende of obscene gebaren naar me, maar dat hebben ze altijd gedaan en nog maar zelden hebben ze me werkelijk kwaad berokkend. Ik hoor het vuur ook knetteren, en ik ruik dat Luuk dit keer stookt met het hout van de grijze berk. Door het raam zie ik een landschap waar gaten in zitten, net zoals in de lucht — maar dat komt door de vreemde lichtval van een wassende zon. Ik ben volledig gekleed; straks wil ik op het damestoilet nog wat details controleren, zodra Astrid het bloed heeft opgedweild dat onder de deur door loopt. Met geen mogelijkheid zou ik zo overtuigend en alledaags dromen.”

“Ik heb getwijfeld vanwege de drie gehoornde demonen die in een andere hoek een dobbelspel spelen”, mijmerde Leo. “Maar ik herinner me nu dat het vaste gasten zijn en we ze wel vaker gezien hebben. De afgedekte pooltafel roept me zachtjes, maar dat is slechts beeldspraak want ik hoor niet werkelijk iets. Ik ruik het parfum van Valerie — de geur van kaneel en een twijg van de populier waar de bast net is afgetrokken — ik zie de poriën in de neus van Thomas, en ik hoor het avondmaal van Isra rommelen in zijn maag. Ik kan de labels lezen van alle flessen achter de toog, waaronder drie die ik nog niet geprobeerd heb. In een droom zou ik dat nooit gezien hebben, en zou ik niet willen ontwaken voor ik die drie geproefd had. Wakkerder dan ik nu ben zal ik nooit zijn.”

De Reiziger leunde met een luie glimlach achterover. “Ik hoor jullie. Wat zijn jullie overtuigd! Alleen als je droomt vraag je je niet af of je droomt. Twijfel je er niet aan dat je wakker bent? Dan droom je zeker.”

Ik voelde me plots heel ongemakkelijk. Gelukkig probeerde Valerie van onderwerp te veranderen.

“Je noemt jezelf Reiziger. Waarheen reis je?”

“Niet ergens heen”, antwoordde hij. “Er is geen bestemming. Ik reis door de restanten van de wereld, en breng verhalen en dromen naar de mensen.”

We veerden op bij het woord ‘verhalen’. Daar konden we geen genoeg van krijgen.

“Niet hier, niet nu, niet voor jullie”, zei de Reiziger, alsof hij onze gedachten raadde.

“Eerder zei je dat er maar zeventien dromen waren — voor mensen”, zei Leo bedachtzaam. “Die kwalificatie is intrigerend. Hebben dieren er meer?”

“Andere, en minder. Het verschilt per soort. Laat me je een wedervraag stellen, pater. Droomt God?”

Leo was wat van zijn stuk gebracht door deze vraag. Na enig aarzelen antwoordde hij:

“Ik weet het niet zeker. Eigenlijk weet ik het helemaal niet. Nergens in de Schrift, noch in de apocriefen, wordt dit onderwerp aangesneden. De kerkvaders zwijgen erover. Geen paus heeft zich in een encycliek of ex cathedra hieraan willen branden. Echter, als Hij de mens naar Zijn evenbeeld geschapen heeft, is de gedachte dat God slaapt en droomt niet heel vergezocht. Het is verleidelijk te zeggen dat God ons en de wereld droomt, maar er is onweerlegbaar bewijs dat Hij Zijn schepping bewust heeft verwezenlijkt. Als Hij al droomt, dan denk ik dat Hij de hemel droomt.”

“Dank je pater. Dat klinkt redelijk. En de Duivel? Wat droomt die?”

“Ik denk dat die niet droomt, maar gedroomd wordt. Het nachtmerrie-element.”

De Reiziger knikte nadenkend. “Terwijl ik door de wereld ga verzamel ik ook kennis, met name over dromen. Die kennis is belangrijk, en je hebt er net twee belangrijke steentjes aan bijgedragen. Wisten jullie dat levenloze dingen ook dromen? Stenen, water, sterren… Het zijn zeer beperkte dromen, maar door hun grote aantal helpen ze toch bij het behoud van de wereld.”

“Wacht,” zei Thomas, “levenloze dingen dromen?”

“Jazeker. Ze hebben niets anders dan dat.”

“Ik vind ‘zeventien’ wel een erg specifiek getal, en klein”, zei ik.

“Ooit waren het er negenentwintig”, antwoordde de Reiziger. “Er is veel teloorgegaan.”

Thomas bestelde een rondje en begon de Reiziger uit te horen over zijn reizen. Drie onderhoudende verhalen — dit waren verhalen over zijn reizen en niet de verhalen die hij in zijn reizen rondbracht — drie verhalen en anderhalf uur later concludeerde Leo:

“Dat is niet onze wereld waar jij door reist.”

“Toch wel,” antwoordde de Reiziger, “maar jullie zien hem niet zo.”

“Gelukkig maar”, merkte Thomas op. “Ik zou me er niet veilig voelen. Gaten in het landschap, vermissingen, …”

“Plaatsen en mensen verdwijnen, inderdaad. De samenhang van de wereld staat onder spanning. Ik weet niet hoe lang we het nog bij elkaar kunnen houden.”

Leo vroeg: “Die vermiste, sorry, verdwenen mensen — zijn die dood?”

“Nee.” De Reiziger keek verdrietig. “Ze zijn er gewoon niet meer. Hoewel het misleidend is om zo te zeggen: ‘niet meer’ impliceert dat ze er eerst wel waren. Het is geen verdwijnen in tijd, het is een verdwijning uit de realiteit. Ze zijn er nooit geweest. Het zou beter zijn als ze gewoon gestorven waren.”

Leo had zijn ogen gesloten en knikte. Ik wist dat hij overwoog wat het betekende voor de ziel van iemand die nooit bestaan heeft. Hij schoot overeind, alsof hij opeens ergens aan dacht.

“Levenloze dingen dromen, zei je. Sommigen zeggen dat de dood slechts een lange slaap is. Dromen doden ook?”

De Reiziger schudde zijn hoofd. “De dood is geen slaap, maar de doden dromen wel. Ze dromen dat ze leven.”

In de stilte die volgde hoorden we een zacht gesnurk. Valerie had haar hoofd op haar armen gelegd en was in slaap gevallen. Na enig aarzelen schudde ik haar voorzichtig wakker (ze zou niet de rest van de avond willen missen).

“Huh, wat?” prevelde ze toen ze haar hoofd optilde. “Nee, niet doen. Die moet in de kast naast de radio. En geef hem ook wat van de suikerrijst.” Ze gebaarde vaag in de richting van het nijlpaard dat twee tafeltjes verderop de krant zat te lezen.

“Oh. Zijn jullie het.” Valerie schudde haar hoofd en dronk haar glas in een teug leeg.

Thomas, Leo en ik zaten te grinniken. Valerie keek ons vuil aan.

“Wat moest in de kast gezet worden, Valerie?” vroeg de Reiziger kalm.

“Wat? Welke kast?” Valerie keek verward.

“Wat is suikerrijst?” vervolgde hij.

“Nooit van gehoord.” Valerie keek hem aan alsof hij gek geworden was.

“Een hele, samenhangende realiteit die in een paar seconden uit elkaar valt”, zei de Reiziger. “Valerie sliep nog maar kort. Als ze in een langere en diepere slaap was geweest, had het minuten kunnen duren voor haar droomwereld uit elkaar viel en verdween.”

Leo keek op. “Dat klinkt bekend…”

“Dat is de wereld waardoor ik reis”, zei de Reiziger. “Mensen dromen zeventien dromen, dieren minder, en levenloze dingen maar een paar. Maar wie droomt de wereld? De wereld droomt zichzelf. Nu is de wereld langzaam aan het ontwaken en de droom valt uiteen, en daarmee de wereld.

Toen ik zei dat ik door de wereld liep en dromen bracht was ik niet helemaal eerlijk. Ik loop ook door dromen om daar de wereld te brengen. Zo ben ik in die van jullie gekomen.

Straks gaan jullie naar buiten en kijken naar de sterrenhemel. In de echte wereld, de wereld van de wakkeren, verdwijnt er haast iedere nacht wel een ster, en is het uitspansel al vol gaten. De topologie is een gatenkaas en er zijn hele stukken van de wereld die niet meer te bereiken zijn, omdat er tussen daar en hier niets meer is. Ontbrekende gebieden in het landschap, als puzzelstukjes die kwijt zijn.”

De Reiziger stond op, liep naar zijn cape en sloeg hem om. Hij pakte zijn staf en opende de buitendeur. Voordat hij naar buiten stapte zei hij, zonder zich om te draaien:

“Blijf vooral dromen, mensen. Je hebt straks niets anders meer.”

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén