Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

30. Taaltovenaar

“Heb je er wel eens over nagedacht hoe de wereld eruit zou zien als niemand ooit zou liegen?”

We dachten er even over na. 

“Precies. De wereld zou niet bestaan. Of beter: de mensheid zou niet bestaan. Mensen kunnen de naakte waarheid niet verdragen, ze zouden elkaar mijden en uitsterven, of elkaar de hersens inslaan en uitsterven. Liegen is goed.”

Wilhelm heette de spreker. Hij was bij ons aangeschoven en had zich voorgesteld als linguïst op doorreis. Zijn Duitse accent was zo licht dat ik het hier niet weergeef; bovendien wil ik hem niet voorstellen als een krankzinnige geleerde.

Hoewel.

“Toch leren we kinderen dat ze niet mogen jokken. Je kunt ervoor worden ontslagen, of erdoor in de gevangenis terecht komen”, wierp Micheal tegen. “Mensen vinden het moreel verwerpelijk.”

“Kinderen leren om niet te liegen omdat hun ouders de controle over hen verliezen als ze het wel doen. Dat is een kwestie van macht, niet van moraliteit. Voor eenvoudige leugens word je niet ontslagen of gevangen gezet; dat gebeurt als je fraudeert, oplicht, zwendelt — als er belangen op het spel staan die geschaad worden, meestal financiële. Zelfs het achtste gebod (of het zevende of negende, afhankelijk van welke telling je gebruikt) verbiedt je niet te liegen; slechts dat je iemand belastert. Niet verwonderlijk, want God liegt zelf ook alles bij elkaar. Hij maakte ons tenslotte naar Zijn evenbeeld, dus niets menselijks is Hem vreemd.”

Micheal fronste. Hij vond godslastering tot zíjn terrein behoren.

“Taalkundig gezien zijn leugens heel interessant”, ging Wilhelm verder. “In de zinnen die ze maken, de woorden die ze kiezen, laten mensen zich onbewust beïnvloeden door het waarheidsgehalte van hun beweringen. Naarmate een zin minder waar is, of het belang van de onwaarheid groter, wijkt de grammaticale constructie van een zin meer af van het gangbare en verschilt de woordenschat meer van wat mensen normaal gebruiken. Verschillende technieken om leugenaars te ontmaskeren zijn daarop gebaseerd.”

“Dus als jij een brief leest zou je de leugens eruit kunnen halen door naar de zinsconstructie te kijken?” vroeg Valerie.

“Het werkt het beste voor gesproken taal”, zei Wilhelm.

“En voor kunsttalen? Esperanto bijvoorbeeld?” vroeg Valerie. “Die zijn vaak opgezet met een rigide grammatica en een kleine verzameling kernwoorden. Daarin is niet veel variatie mogelijk.”

“Goed punt! Goed punt!” kraaide Wilhelm. 

We werden onderbroken door Astrid die had gezien dat onze glazen leeg waren. Wat we dronken? Bier natuurlijk, we dronken immers met een Duitser. Om precies te zijn “Des Lügners Vergnügen”; een biersoort die Ouwe Luuk deze week op de tap had. Nadat Astrid de glazen had neergezet vertelde Wilhelm verder.

“Inderdaad – de meeste kunsttalen zijn zo star dat eigenlijk elke bewering als een leugen klinkt.”

“De meeste? Er zijn uitzonderingen?” vroeg Micheal.

Wilhelm aarzelde. “Ja. Maar op een andere manier dan je denkt.”

Peinzend nam hij een slok van zijn bier.

“Er is een theorie die stelt dat de taal die je spreekt je wereldbeeld bepaalt. De woorden en grammatica die je tot je beschikking hebt beperken wat je kunt denken. Het leren van een nieuwe taal maakt ook de wereld in je hoofd groter. Hierover zijn taalkundigen het eens. Ze verschillen alleen van mening in welke mate dit geldt. Activisten van allerlei pluimage zijn met dit gegeven aan de haal gegaan in een poging de wereld te herscheppen naar hun idee, door de taal te veranderen. Denk aan radicale feministen die taal willen ‘ontmannen’, antiracisten die het woord ‘blank’ in de ban doen, en antirevolutionairen die met succes ‘affrinken’ uit ons vocabulaire hebben verwijderd.”

“Affrinken?” vroeg ik.

“Het is niet meer uit te leggen”, antwoordde Wilhelm. “Het concept is helaas geheel verloren gegaan.”

“Je neemt ons in de maling” zei Valerie.

“Inderdaad”, gaf Wilhelm toe. “Althans, wat ‘affrinken’ betreft. De rest klopt. 

Enkele linguïsten speculeerden over het maken van een kunsttaal die het denken van de burgers zodanig zou beperken dat ze makkelijk door een kwaadwillende overheid onder de duim gehouden konden worden.”

“Nieuwspraak”, opperde Siobhan. “Orwell’s 1984.”

“Exact! Er werden ook positievere ideeën geopperd. Bijvoorbeeld of het mogelijk zou zijn een taal te construeren waarin het onmogelijk is om te liegen. Een taal waarin elke bewering per definitie waar is.”

Hij zweeg even.

“Merk op dat ik een korte pauze inlas, voor het dramatisch effect.”

We gaven hem zijn zin.

“En?” vroeg Valerie, “Is dat mogelijk?”

“Dank je. Ja, mijn mentor — professor Benjamin — dacht van wel. Hij heeft er twintig jaar aan gesleuteld, maar uiteindelijk had hij een kunsttaal ontwikkeld waarin onware beweringen niet mogelijk zijn. Een leugen is gewoonweg grammaticaal incorrect, en dus geen deel van de taal.”

“Het zou mooi zijn als iedereen alleen nog maar die taal sprak”, mijmerde ik.

“Niet dus”, zei Wilhelm. “De mensheid heeft leugens nodig. Alleen dieren liegen niet tegen elkaar. 

Gelukkig besefte Benjamin dat ook, en was zijn taal vooral bedoeld als wetenschappelijk experiment. Zijn assistenten, Edward en ik, leerden de taal ook en we probeerden er regelmatig conversaties in te voeren. Dat leverde een aantal ruzies op, en uiteindelijk brak Edward met ons.”

Astrid kwam vragen of we nog wat wilden drinken.

“Heb je iets beters dan dit bier?” vroeg Michael.

“Nee”, zei Astrid.

“Je liegt”, wierp Wilhelm tegen. Astrid trok een wenkbrauw op.

“In de kelder, tweede rij, derde vat van rechts. Het bier heet Ungläubige Thomas en is gebrouwen in Schnorrbecke. Breng ons dat.”

Astrid vertrok zonder iets te zeggen maar kwam even later met nieuwe glazen. Dit bier was bitterder.

“Er zijn een heleboel kunsttalen waarin het niet mogelijk is te ‘liegen’”, bracht ik voorzichtig in. “Ik denk aan computertalen, programmeertalen. Onware beweringen leveren fouten op in de vertaling naar machinecode, of laten het programma crashen.”

Wilhelm knikte. “Interessante vergelijking. Sta mij toe dat ik daar later op terugkom.”

“Edward ontpopte zich als een soort tovenaarsleerling. Hij nam het werk van professor Benjamin en borduurde erop voort. Zijn insteek was echter niet wetenschappelijk, eerder pragmatisch, met persoonlijk gewin als einddoel. Hij begon dingen over de wereld op te schrijven in die taal die geen leugens verdroeg. Het waren uiteraard ware dingen. Toen maakte Edward kleine, heel kleine veranderingen in de tekst. In eerste instantie bleef hij binnen de waarheid, door alleen maar de beschrijving wat vager te maken, of op een andere manier te formuleren. Hierbij merkte hij een weerstand op, een spanning die de pen vertraagde, de stem liet stotteren, of het toetsenbord deed haperen. Maar het lukte uiteindelijk wel.

Edward concludeerde dat de waarheid een kracht is, of een spanningsveld, dat weerstand biedt aan verandering. Omdat niets in dit universum oneindig groot is, gold dat ook voor die kracht. En dus, zo was zijn redenatie, moest het mogelijk zijn de waarheid te veranderen mits er voldoende energie in gestoken werd.

Kortom, als in de taal van de waarheid succesvol iets werd geformuleerd dat niet waar was, zou de werkelijkheid zich erop aanpassen. Uiteraard kon dit alleen iemand doen die genoeg energie had en genoeg zelfvertrouwen om glashard tegen de werkelijkheid te liegen en het dan zelf te geloven; zeg maar genoeg mana. Vroeger noemde men dit magie, en men heeft magie altijd geassocieerd met woorden.”

“Toverspreuken”, mompelde Siobhan.

“En zo kom ik terug op de vergelijking met programmeertalen”, zei Wilhelm met een knikje in mijn richting. “Een zin in een programmeertaal, een programma dus, beschrijft niet maar schrijft voor. Het zegt niet wat er is, maar wat er moet zijn. Met andere woorden: het laat dingen gebeuren. En het kan als een verrassing komen voor jullie, maar dit is geen recente ontwikkeling. De eerste taal, of de eerste zin, was ook van dien aard. Het beschreef niks, want er was niets. Het schreef voor wat er moest zijn.” Hij nam een teug, ongetwijfeld om ons even in nieuwsgierigheid te laten.

Op Micheals gezicht was te zien dat hem iets begon te dagen. Hij mompelde iets.

“Wat zeg je?” vroeg Valerie.

Er zij licht”, herhaalde Michael. “De eerste woorden ooit gesproken.”

Luuk kwam onze lege bierglazen ophalen en zette er kleine glaasjes schnapps voor in de plaats. Wilhelm sloeg de zijne in één keer achterover en vervolgde:

“Langzaam maar zeker werd Edward driester in zijn pogingen, en slaagde erin werkelijk dingen te veranderen. Eerst kleinigheden, daarna grotere. Professor Benjamin had echter instrumenten opgesteld; verklikkerzinnen in de waarheidstaal die uitspraken deden over de onveranderlijkheid van de werkelijkheid. Toen die zinnen onder zijn ogen veranderden, of het papier waar ze op stonden in brand vloog, wist hij wat er loos was. Hij besefte welke enorme schade Edwards experimenten konden aanrichten. En hij besloot in te grijpen.”

“De machtsstrijd tussen tovenaar en tovenaarsleerling kan maar op één manier aflopen. In een kunstig geformuleerd essay van twee pagina’s beschreef professor Benjamin hoe hij de waarheidstaal ontwikkelde met behulp van slechts één assistent; mij. Hij schreef Edward er helemaal uit. Omdat Edward, met terugwerkende kracht, nooit in in aanraking was gekomen met de waarheidstaal werden al zijn wijzigingen van de realiteit teruggedraaid. Edward zelf heeft die taal nooit gekend en werd onschadelijk, of beter, hij was altijd al onschadelijk geweest. De inspanning die voor deze correctie van de werkelijkheid nodig was en de energie die erbij vrijkwam was helaas te veel voor Benjamin, en hij stierf terwijl hij de punt plaatste achter de laatste zin.”

We overdachten in stilte het trieste lot van de mensen die zich niet in het lot schikten. 

Siobhan zei bedachtzaam: “Dat betekent dat jij nu de enige bent die de waarheidstaal kent. Je bent de laatste tovenaar.”

Wilhelm schudde zijn hoofd. “Korte tijd was ik dat. Ik wist ook dat de verleiding om er gebruik van te maken groot zou zijn, en dat dat vroeg of laat zou uitmonden in misbruik. Om dat te voorkomen schreef ik in de waarheidstaal de bewering dat de waarheidstaal niet bestaat. Dit was veel makkelijker dan ik dacht, alsof de werkelijkheid eraan meehielp in plaats van zich ertegen te verzetten. Er is geen waarheidstaal en die is er, sinds kort, ook nooit geweest. Kort en goed: toverij bestaat niet. Niet meer.”

Hij keek op de klok. Nee, dat deed hij niet. Ouwe Luuk staat geen klokken toe in zijn kroeg. Hij keek naar buiten en zag dat de maan al bijna onderging.

“Tijd om te gaan”, zei hij, terwijl hij opstond.

“De verleiding om toch wat kleine wijzigingen aan te brengen in de werkelijkheid moet toch erg groot zijn geweest… Al was het maar iets ontzettend mafs.” mijmerde Valerie.

“Dat is correct”, antwoordde Wilhelm terwijl hij zijn jas aantrok. “Ik heb ook niet helemaal weerstand aan die verleiding kunnen bieden. Wat kleine vingeroefeningen… Waar denk je dat giraffes vandaan komen? Die onmogelijke poten, zo’n belachelijke nek… dat bestaat toch niet vanzelf?”

Met die woorden vertrok hij.

Taalkunde is een nieuwe hobby van me. Misschien dat ik er ooit iets mee bereik.

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2020 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén