Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

2. Vervreemde Ledematen

David had altijd de sterkste verhalen van ons allemaal. Toen hij dus een paar weken geleden in Luuks kroeg begon met “Dit gaan jullie niet geloven” konden we dat alleen maar beamen.

“Nee jongens,” zei hij op ernstige toon. “Dit is echt, en ik vind het niet leuk. Het is ook moeilijk te vertellen, met een droge keel.”

We begrepen de hint en gebaarden ouwe Luuk om een rondje. Toen dat er stond vervolgde David:

“Jullie hebben vast wel eens gehad dat je ’s nachts wakker werd en dat je arm sliep. Dat je in een rare houding had gelegen en die arm niet genoeg bloed kreeg. Dan weten jullie ook dat zo’n arm als een raar, rubber, dood ding aanvoelt, dat helemaal niet bij je lijf hoort.”

We knikten instemmend.

“Vorige week werd ik ’s ochtends wakker met zo’n arm. Mijn linkerarm, om precies te zijn. Ik had er geen gevoel in, hij deed niet wat ik wilde, en hij leek niet bij mij te horen. Tot zover niets bijzonders. Maar het ging niet over, en wat erger was: die arm was niet slap of dood. Hij bewoog, maar deed dingen uit zichzelf. Dingen die ik hem niet liet doen.”

“Ja ja,” zei Fred en maakte een veelzeggend gebaar met zijn linkerhand. David negeerde hem.

“Ontzettend raar was dat. En ontzettend vervelend. Ik heb een paar dingen omgestoten die dag, omdat mijn linkerarm opeens uitschoot, of rondzwaaide. Kijk, ook nu kan hij zich niet rustig houden.” David gebaarde naar zijn linkerhand, die onder de tafel de hele tijd tegen zijn stoel aan het kloppen was. Ik had me al afgevraagd waar dat geluid vandaan kwam.

“Ik snapte niet wat het was,” vervolgde David. “En ik maakte me er best zorgen om. Een stuk van je lijf dat niet aan je gehoorzaamt. Ik snap nu – een beetje – hoe het moet voelen om verlamd te zijn. Of spastisch, dat lijkt er meer op.

Toen het de volgende dag niet over was ben ik naar de dokter gegaan. Zeg, jullie geloven me niet hè?”

“Nee, we geloven je niet,” antwoordden we in koor. Davids linkerhand was naar zijn bierglas gekropen en zijn rechterhand had hem daar met schijnbare moeite weer moeten weghalen. Het lag er te dik bovenop.

“Nou, de dokter dus ook niet,” zei David. “Hij dacht dat ik hem in de maling nam. Ik ben drie keer terug geweest; de derde keer gooide hij me er bijna uit. Hij heeft nog wel gekeken, gevoeld, gepord, geluisterd. Hij was het zat toen die arm aan zijn stethoscoop begon te trekken.”

Johan grijsde. “En gaat die arm nu ook op eigen houtje bijvoorbeeld in billen knijpen?” Wij lachten, maar David niet.

“Daar ben ik doodsbang voor. Of dat hij iemand slaat, iets pakt of vernielt. Feitelijk bind ik vaak mijn linkerarm vast aan mijn broeksriem als ik de deur uitga. Hij is gelukkig niet erg handig met tegenwerken.”

“Je hebt hem nu niet vastgebonden,” merkte Fred droogjes op.

“Nee, ik hoop dat dat hier niet nodig is.”

Een gil van Astrid, de serveerster die net langs liep, logenstrafte dat. Ik dacht al dat David’s verhaal bedoeld was als uitvlucht om handtastelijk te kunnen worden bij Astrid (en dat zou je begrijpen, als je haar zag) maar de klinkende oorvijg die Johan van haar kreeg gaf aan dat het niet David was die misbruik van de situatie probeerde te maken.

Toen we klaar waren met het uitlachen van Johan wachtten we tot David zijn verhaal zou afmaken. Hij haalde echter zijn schouders op en zei: “Sorry jongens. Geen spannend vervolg. Ik hoop gewoon dat het vanzelf overgaat. Ik moet er niet aan denken de rest van mijn leven opgezadeld te zitten met een van mij vervreemd ledemaat.”

Laurent sloot de avond af met een relaas over zijn tijd als uitsmijter bij Yab Yum, waar de overvloed aan pikante details het gemis aan suspense en plot ruimschoots goedmaakte. Toen we vertrokken voerde David nog een mooi toneelstukje op met zijn linkerarm die niet in de mouw van zijn jas wilde.


De week daarop wachtten we vergeefs op David. Johan kwam als laatste binnen (en kreeg een woeste blik van Astrid) en bracht Davids verontschuldigingen over.

“Hij kan niet komen,” vertelde Johan met een brede grijns. “Ik kwam hem toevallig gisteren tegen bij een wandeling in het bos. Hij durft zich niet meer onder de mensen te vertonen: nu is zijn rechterarm ook al niet meer van hem.” Toen de hilariteit wat bedaard was vervolgde hij: “Hij vertelde dat zijn hand spontaan zijn broek in ging om eens uitgebreid rond te voelen wat daar zat. En dat was net toen hij langs een schoolplein liep, in het speelkwartier. Een van de jufs zag hem en dat heeft hem nog heel wat last bezorgd!”

We lachten en bewonderden Davids fantasie, en bespraken de moeilijkheden die het ontberen van twee meewerkende armen met zich mee zou brengen – de onmogelijkheid om bijvoorbeeld een sleutel in een sleutelgat te steken of een andere activiteit te ontplooien die ik in dit gemengde gezelschap niet zal herhalen.

We misten David die avond verder niet zo erg. Fred had een neef meegebracht die op de grote vaart zat en heel wat verhalen had.


De keer daarop moest ik zelf verstek laten gaan bij de wekelijkse avond bij ouwe Luuk. Een paar dagen liep ik David tegen het lijf in de stad, een paar straten van waar hij woonde. Ik groette hem, maar hij hield zijn pas niet in. “Loop even mee, Isra,” zei hij. Dat deed ik.

Voor ik kon vragen hoe het met hem was stak hij van wal. “Het is een ramp,” zei hij, “ik heb mijn benen ook niet meer onder controle. Daarom moet je meelopen – ik kan niet voor je blijven stilstaan.”

Ik wilde lachen, maar iets weerhield me.

“Ik ben vorige week de deur niet uitgeweest. Toen kon ik mijn rechterbeen nog gewoon gebruiken, en kon mijn lijf zich niet zonder mijn medewerking verplaatsen. Maar nu moet ik gaan waar mijn benen me brengen, en doen wat mijn armen willen.”

Ik vond het nog steeds een goede grap, maar merkte op hoe slecht David eruit zag. Hij was flink vermagerd, ongeschoren en ongekamd, en had de blik van opgejaagd wild in zijn ogen.

“Ik ben een gevangene in mijn eigen lichaam, Isra! Een passagier! Het lijkt wel of ik op afstand bestuurd word.”

Ik onderbrak hem. “Hoe zorg je voor jezelf, David? Hoe eet je, als je benen je niet naar de winkel brengen, je armen niet willen koken, je handen het eten niet naar je mond brengen?”

Hij lachte cynisch. “O, mijn armen en benen zorgen goed voor mij. Mijn bestuurder heeft dit lijf blijkbaar langer nodig. Ik doe boodschappen, en ik kook. Maar —” hij aarzelde. “Maar ik eet niet. Ik weiger iedere hap. Ik heb gezien welke verschrikkelijke dingen mijn hand opschrijft” — hij gebaarde met zijn hoofd naar de envelop in zijn rechterhand — “en ik weet naar welke gruwelijke plaatsen mijn benen mij soms brengen. Ik weet welke spullen mijn armen naar huis hebben gedragen en ik ben bang… ik ben zo bang dat ze alleen maar wachten tot het hoofd ook van hen is en meedoet met wat mijn bestuurder dan ook van plan is.”

We waren bij een brievenbus aangekomen. David deed de envelop erin, draaide zich om en liep terug. Ik liep weer mee.

“Ik weet niet wat er gebeurt als mijn hoofd ook wordt overgenomen. Ben ik dan weg, dood? Of zit ik dan in mijn hoofd gevangen en moet ik alles zien en horen wat mijn lichaam doet? Ik wil het niet weten, Isra, ik probeer me dood te hongeren voor het zover is. Ik hoop dat me dat bijtijds lukt.” De wanhopige klank van zijn stem deed me rillen. “En alsjeblieft — beloof me — als je me ooit tegenkomt en ik praat niet meer met je, maar je ziet dat ik nog wel in mijn hoofd ben, alsjeblieft; maak me dan dood. Wurg me, sla me dood, verdrink me: verlos me.”

Dit ging te ver. Ik werd kwaad. “Dit is niet leuk meer, David. Ik spreek je wel weer als deze grap is afgelopen.” En ik sloeg een zijstraat in. Ik hoorde David nog wel roepen, maar hij kwam me niet achterna.


Dat was een maand geleden, David heeft de kroegavonden bij ouwe Luuk sindsdien niet meer bezocht. Vorige week zag ik hem weer. David zag er beter uit, alsof hij weer goed gegeten had. Hij reageerde echter niet toen ik hem aanriep; hij liep gewoon door. Wel zag ik even zijn ogen mijn kant op draaien, en ik zag een flits van herkenning in die ogen. Maar vooral zag ik een blik van doffe wanhoop, de blik van iemand die voorgoed in een persoonlijke hel vastzit.

Ik slaap bijna niet meer, ik pieker. Naar wie schreef Davids lijf die brieven? Hoeveel “bestuurders” zijn er? Wat voor vreselijks doen ze?

Als het me wel lukt in slaap te vallen heb ik nachtmerries. En soms, als ik wakker wordt, slaapt mijn arm en gil ik.

Naar een idee van @leinmarjob

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén