Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

27. Rivier

Een jaar en een dag nadat we Johan begroeven stonden we op het kerkhof om hem weer op te graven. We hadden scheppen bij ons en een zwaar geldkistje. Het was iets na middernacht. De bijna nieuwe maan en de sterren lieten de hoge sluierbewolking oplichten. Een dunne, kille mist kroop over de grond. Geen van ons vroeg zich af of dit misschien een slecht idee was — we wisten dat het een slecht idee was, maar we moesten wel.

Misschien is het beter als ik eerst vertel wat hieraan vooraf ging.


Ruim een week eerder waren we samen bij Ouwe Luuk. We hadden Johan een jaar geleden begraven en hij was nog niet opnieuw opgedoken. Het begon erop te lijken dat hij besloten had dood te blijven. We namen aan dat hij deed wat het beste was voor hem, maar sommigen van ons vonden Johan daarom een beetje egoïstisch.

Buiten waaide en regende het hard. Ouwe Luuk had de luiken voor de ramen gesloten zodat het ratelen van de regendruppels tegen het raam de stille sfeer binnen niet zou verstoren. Afgezien van ons waren er maar weinig gasten. In de verre hoek drie vermoeide reizigers, aan een tafel naast ons een eenzaam drinkende man, aan de bar een roodharige vrouw die een gesprek met Astrid aanknoopte. Iedereen sprak gedempt.

We dronken op de verjaring van zijn dood. De enige drank die Ouwe Luuk ons vanavond serveerde was een cocktail met de naam Zwarte Wanhoop, die zijn kleur en niet weinig van zijn smaak ontleende aan het klompje pek onderin elk glas. De drank was zwaar en stroperig maar steeg snel naar je hoofd.

Net als vorig jaar waren de aanwezigen Steven, Fred, Valerie (nog niet teruggekeerd naar Amerika), Hannah en Laurent. Waren dit dezelfden als vorig jaar? Ja, tel maar na.

“Heb ik iets gemist?” vroeg Hannah terwijl ze haar plaats aan de kroegtafel innam. Hannah was, net als vorig jaar, de laatste. “Ik was nog even bij zijn graf langs gegaan.”

Van alle aanwezigen had Hannah de sterkste band met Johan gehad, hoewel geen van ons zich kon herinneren welk soort band dat was.

We haalden herinneringen op.

“Dingen zijn niet meer hetzelfde op de faculteit”, klaagde Steven. “Nou ja, de dingen zijn nog steeds hetzelfde: apparaten, maar toen Johan er nog rondliep waren ze meer dan dat. Ze hadden een soort verborgen leven, een zekere recalcitrantie. Natuurlijk lieten ze nooit wat merken, maar je kon het voelen. Nu lijkt het wel of ze in de rouw zijn. De neutronenkleurder staat stil en verdrietig in de hoek. De fotonensplitser is nukkig en heeft veel storingen, alsof hij nog in de ontkenningsfase verkeert. Het koffiezetapparaat produceert alleen nog maar smerige koffie.

Johan zei vaak dat voldoende geavanceerde apparatuur bezield was, en ik lachte hem dan uit. Ik wilde dat ik dat niet gedaan had — maar gedane zaken nemen geen keer.”

“Soms wel”, zei de forse man aan de tafel naast ons. Hij keek niet op van zijn glas.

“Toen Johan Selene leerde kennen”, begon Valerie, “ben ik het land uitgevlucht. Ik was stom geweest. Al jaren had ik een oogje op hem, maar heb dat nooit durven zeggen. Misschien was dat wel goed ook: hij en Selene waren erg gelukkig samen. Maar ik kon het niet aanzien. Toen Selene verdween was ik al gesettled in Colorado. Ik overwoog om terug te gaan toen ik het nieuws hoorde. Om er voor hem te zijn. Maar ik stelde het uit.” (Hier hoorde ik Hannah “gelukkig maar” mompelen.)

“Ik had het idee dat het altijd nog kon.

En toen was hij dood. Kon ik maar terugreizen in de tijd…”

“Maar dat kan”, zei de man aan de tafel naast ons. Fors was hij, en ondanks zijn grove kleding en woeste baard maakte hij een elegante indruk.

Ouwe Luuk kwam langs met een nieuwe ronde drank. Hij zette ook een schaal nootjes neer – de geroosterde zaden van de tempelboom. Ik vroeg me af wat Marian zou vertellen. Marian? Ik meende me haar vaag te herinneren, maar ik moest me vergissen. Marian was er niet vanavond, en was er nooit geweest.

Dus vertelde ik zelf.

“Ik ben geen man van de wetenschap,” bekende ik, “Ik kon niet meepraten over de dingen waar hij mee bezig was in zijn werk. Maar hij was veelzijdig van interesses — wispelturig zelfs — en ik heb veel met hem over andere dingen gesproken en hem bij veel andere ondernemingen meegemaakt.

Zei ik al ‘wispelturig’? Wat me altijd aan hem verwonderde is hoe veranderlijk hij was. Hij bleef nooit lang boos. Sombere buien dreven snel over. Interesses en bevliegingen duurden kort — hoewel hij in die korte tijd veel kon bereiken. Hij kon niet stilzitten. Hij verhuisde elke paar jaar, vaak zonder aanwijsbare reden. Niets aan hem bleef hetzelfde. Alleen zijn dood is permanent.”

“Niet noodzakelijkerwijs”, zei de man aan de andere tafel.

“Zoals jullie weten was ik betrokken bij de afwikkeling van zijn nalatenschap”, vertelde Laurent. “Die bestond vooral uit boeken, kunstwerken, een hoop plannen en ontwerpen. Op een aantal uitvindingen en technieken had hij patent gekregen, en sommige daarvan leverden hem een aardig inkomen op. Een heel aardig inkomen. Bij zijn overlijden was hij niet onbemiddeld. Maar ja, zoals ze zeggen: je kunt het niet meenemen.”

“Die ‘ze’ zitten er faliekant naast”, aldus de man aan de tafel naast ons.

“Ik denk dat het tijd wordt dat je bij ons aanschuift en zegt wat je op je lever hebt”, zei Valerie.

De donkere man stond op, zette zijn stoel aan onze tafel, en ging weer zitten. “Die Johan waar jullie het over hebben, is dit de eerste keer dat hij stierf? Wanneer verwachten jullie hem terug?”

We keken hem verbouwereerd aan.

“De dood is noch eenmalig noch permanent, voor een man met kennis”, ging hij verder.

Laurent zei: “Volgens mij ben je lazarus, man.”

“Soms noem ik me inderdaad Lazaros”, knikte de donkere man. “Maar noem mij maar Stas.”

Ook al waren zijn opmerkingen bezopen, hij klonk niet dronken.

“Sterven kan de beste overkomen,” vervolgde de man, “vaak heb je dat niet zelf in de hand. En wie alles gedaan heeft, alles gezien heeft wat hij wilde — voor dezulken is dood blijven geen schande. Verder blijven alleen zij dood die zich niet goed voorbereiden.”

“Ik weet niet of ik naar zulke praat wil luisteren”, viel Hannah in. “We herdenken Johans dood. Dit is niet gepast.”

Stas keek haar aan met vriendelijke spot. “Jij die niet door geboorte in dit leven gekomen bent; van jou zou ik verwachten dat je begrijpt dat leven en dood geen absolute begrippen zijn.” Hannah zweeg, terwijl wij ons afvroegen wat de man kon bedoelen.

“De tweede keer dat ik stierf — ik was een rijk man”, zei Stas. “Ik werd begraven met de gebruikelijke obool onder mijn tong, om de veerman te betalen. Daarnaast legde men een gouden stater op allebei mijn ogen, en drie staters in elk van mijn handen. Naast mij werd een zilveren talent gelegd.”

Ik ken mijn klassieken, en merkte op: “Dat was best lang geleden dan. Ouderwetse valuta. Nu zou je een credit card meenemen?”

Stas negeerde me en vervolgde: “Er is een scheiding tussen de wereld van de levenden en de wereld daaronder waar de doden thuis zijn, een scheiding die niet op eigen kracht kan worden doorkruist. Vaak neemt die scheiding de vorm aan van een rivier, die in jullie mythologie ‘Styx’ wordt genoemd. Wie de rust van de onderwereld wil bereiken moet de veerman Charon een obool betalen om de Styx overgezet te worden. Wie dat niet kan betalen blijft aan de oever van de rivier dwalen. Men twist erover hoe lang: sommigen zeggen honderd jaar; anderen dat het voor eeuwig is. Zelf denk ik dat geen van beide tijdsspannen daar een betekenis hebben.”

“Bekend verhaal”, merkte ik op.

“Ja,” antwoordde Stas, “maar bijna niemand realiseert zich wat het betekent dat de Styx een rivier is. Ze heeft niet alleen een overkant, maar ook een stroomopwaarts en stroomafwaarts.”

“Logisch, voor een rivier”, zei Laurent. “Kun je niet zwemmend de overkant bereiken?”

Stas fronste. “Die rivier is een verschijningsvorm van een veel dieper begrip: een manifestatie aangepast aan de stoffelijke wereld zoals mensen die waarnemen. Door de Styx stroomt geen water, maar tijd, en zij stroomt van verleden naar toekomst. Stroomopwaarts ga je naar het verleden, stroomafwaarts naar de toekomst. Zwemmen wordt afgeraden.”

Valeries ogen glansden. “Dan zou tijdreizen dus tóch mogelijk zijn. Als je de rivier op- of afvaart, in plaats van haar over te steken…”

Stas knikte. “Inderdaad. Echter, Charon is de enige die de Styx bevaren kan, en zijn taak is om de doden over te zetten, niet om pleziertochtjes met ze te maken.” Valeries gezicht betrok, en hij haastte zich eraan toe te voegen: “Maar Charon is ook maar een— nee dat is hij niet, hij is geen mens. Hij is wel omkoopbaar. Één obool koopt drie liter wijn, een prostituée kost drie obolen. Je verwacht toch niet dat Charon van zo’n karig loon kan rondkomen? Natuurlijk heeft hij een side business. Neem genoeg rijkdom mee en hij zet je elders af. De grafschatten van mijn tweede dood brachten mij driehonderd jaar verder.”

“Nog steeds dood”, merkte Laurent op.

Stas lachte. “Niet als je jezelf weer op dezelfde oever laat afzetten. Nieuw lichaam, nieuwe naam, nieuw leven. Ongeveer twintig jaar na je wedergeboorte komen langzaam de herinneringen aan vorige levens terug.”

Hij wendde zich tot mij. “De veerman is een ouderwets man en de moderne betaalmiddelen betekenen niets voor hem. Goud moet je meenemen, of zilver, of platinum. Als je het kunt vinden is orichalcum ideaal, maar dan wel het oorspronkelijke metaal en niet de perversie van de Romeinen.”

“Edelstenen? Diamanten?” opperde ik voorzichtig.

Stas keek me aan alsof ik dom was. “Alleen metalen gaan over.”

We lieten dit even bezinken terwijl we dronken en de bittere noten aten. Geen haar op ons hoofd die aan het verhaal van de vreemde man twijfelde: de dingen die bij Ouwe Luuk verteld werden waren altijd waar. Althans toch zeker op een bepaalde manier waar.

“Wat voor soort naam is ‘Stas’ eigenlijk?” vroeg Steven.

“Het is een afkorting voor ‘Anastasios’”, zei de man.

“Bent u de enige die dit weet? Die op deze manier door de tijd en de levens reist?” vroeg Hannah.

Stas lachte, keek toen weer ernstig. “Nee. Er is een groep ingewijden — waartoe jullie je nu ook mogen rekenen — die dit geheim kent. Een kleinere groep is ook werkelijk in staat om het in de praktijk te brengen. U kent allen een goed-gedocumenteerd geval.”

We keken hem glazig aan. Toen brak op het gezicht van Steven begrip door.

“Ik vraag me af”, zei hij langzaam, “hoe ver je kunt reizen voor dertig zilverlingen…”

“Drie dagen stroomafwaarts”, antwoorde Stas prompt. “De verrader kreeg berouw, stierf, en nam zijn bloedgeld mee. Ik vermoed dat ze aan de oever van de rivier van hand zijn gewisseld, als een soort reparatiebetaling aan de verradene.

Zelf ben ik door enkele tientallen levens gegaan, in zeven verschillende tijdperken en twee andere werelden — want de Styx heeft zijarmen die niet naar andere tijden maar naar andere realiteiten voeren. Ah, Phlegethon, Acheron, Lethe en Cocytus! Zulke zoete namen. Slechts zelden vergaar ik zoveel rijkdom dat ik me dat kan veroorloven. Op en neer op de tijdstroom, dat lukt me elke keer weer. De klassieke oudheid is mijn favoriet, met name Griekenland.”

Ik stelde Stas nog één vraag. Hij gaf antwoord, sloeg het restant van zijn glas achterover en nam afscheid.

“Ik ga nu, ik heb nog veel te doen. Wat uw vriend betreft; ik meende te horen dat hij vermogend was. U zou kunnen overwegen hem althans een deel van die rijkdom mee te geven. Ik denk dat het nog niet te laat is. Het klonk alsof hij iemand was die nog veel leven te leven had.”


De rest van die avond maakten we plannen. De week daarop werd zoveel mogelijk van het vermogen van Johan omgezet in edelmetaal; gouden en zilveren munten, vooral. Genoeg voor een tocht van honderden jaren; misschien wel een paar millennia. En nu staan we daarmee op het kerkhof en openen zijn graf.

Ik dacht terug aan wat Stas antwoordde op mijn laatste vraag.

“De eerste keer? Ik had vrienden die mij grafgiften brachten.”

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén