Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

1. Aardewerk

De kroeg van van ouwe Luuk lag in het hart van ons stadje. Het lag ook op het kruispunt van de weg van Damascus naar Limerick en de weg van Marrakesh naar Sint-Petersburg en bracht dus bewoners van de hele beschaafde wereld langs. Althans, dat beweerde ouwe Luuk. Het was zijn kroeg dus hij zou het wel weten. Het was in ieder geval waar dat er vaak ongewone gasten kwamen.

Één zo’n ongewone gast had zich nu bij ons groepje aan tafel gevoegd. Dat gebeurde wel vaker — ouwe Luuk maakte zijn kroeg altijd zo klein dat mensen bij elkaar aan tafel kwamen zitten. Geen eenzame drinkers in zijn kroeg.

Het was vrijdagavond, na het gebed. Wacht — waarom zei ik dat? We doen hier niet aan het vrijdagmiddaggebed.

Vrijdagavond dus, en we hadden al een flink gat in Luuks biervoorraad geslagen. Het leek een sterke-verhalenavond te worden, en het onderwerp had zich toegespitst op onwaarschijnlijke veroveringen. Fred had net zijn relaas over zijn relatie met een zeemeermin afgesloten en verweerde zich tegen de voor de hand liggende platte vragen, toen de vreemdeling zijn keel schraapte.

“Dat was mooi,” zei hij. “En goed, want een zeemeermin is ook van deze aarde. Water is goed.” Hij sprak met een zwaar, schurend accent.

We keken hem wat verbaasd aan. Zijn toon was heel plechtig geweest, alsof hij zijn zegen over een verbintenis uitsprak. Ik was van plan geweest te vertellen over de roodharige Ierse drieling, maar besloot dat het interessanter was om deze man uit te horen. Bovendien waren verhalen over mij en meisjes niet erg geloofwaardig.

“Water is goed, zegt u?” vroeg ik.

“Ja,” antwoordde hij. “Water is goed. En aarde en lucht. Neem gerust een aardvrouwtje of trol tot vrouw — hoewel je daar niet veel plezier aan zult beleven. Luchtgeesten zijn ook goed.”

De man sprak duidelijk wartaal. Ik had echter drie van de vier elementen herkend en was benieuwd wat hij van de vierde zou zeggen.

“En vuur?” vroeg ik.

De man zuchtte, en wenkte met een stijve beweging om nog een bier. Terwijl hij daarop wachtte bekeek ik hem eens wat beter. Zijn gezicht was hard, onbeweeglijk. Zijn huid was dof, met een wat modderige tint. Zijn hoofd was haarloos – wenkbrauwen en wimpers ontbraken ook. Ik kon zijn leeftijd niet schatten.

Een nieuwe gast, een vrouw, was ouwe Luuks kroeg binnengekomen. Ze ging zitten aan een tafeltje achter de man, alleen. Erg knap was ze, met een opvallende, vuurrode haardos. Ze zette haar paraplu tegen het tafeltje aan. Paraplu? Het regende toch niet?

“Jaren geleden,” vertelde de man toen zijn bier voor hem stond, “werkte ik bij een opgraving in de buurt van Kharga in Egypte. Lange dagen in een brandende zon en het werd slecht betaald. Er waren aanwijzingen dat op die plek een oude bibliotheek onder het zand verscholen zou liggen. Misschien was dat ook wel zo, maar dan was die uitgebrand. We vonden niet veel meer dan wat resten van verkoolde balken en een of twee verschroeide boekrollen, die echter nog onbeschreven bleken te zijn.”

Hij nam een slok. Ik zag dat er twee vingers aan zijn hand ontbraken. “Althans, dat is wat de expeditie vond. Er was meer. Ik heb iets achtergehouden.”

Hij grinnikte. “Een flesje van zwart aardewerk. Er zat een stop op, goed met was dichtgesmeerd. Ik heb geen idee waarom ik hem in mijn zak stak. In mijn tent verborg ik hem snel onderin mijn koffer. Ik wilde niet ontslagen worden wegens het achteroverdrukken van vondsten. Bij het opbergen voelde ik dat het flesje vreemd warm was.

Dat merkte ik ook toen ik het weer uitpakte, eenmaal terug thuis. Tijdens mijn afwezigheid had mijn vriendin mij verlaten. Ik zette het flesje weg en besteedde er verder weinig aandacht aan. Ik moet bekennen dat ik me een tijdlang vooral met andere flessen bezighield.”

Hij zweeg even en staarde in zijn bier. Het viel me op hoe stil hij zat. Hij maakte geen enkele onnodige beweging.

“Ik was niet helemaal dronken op de avond dat ik besloot het zwarte flesje open te maken, maar ik was wel op weg. Nog steeds was de fles vreemd warm, en toch was de was waarmee de stop vastzat niet zacht. Het kostte me moeite om die stop eruit te krijgen.”

“En, wat zat erin?” vroeg Fred.

“Wat kwam eruit, zul je bedoelen,” was het antwoord.

“Een geest,” grapte ik.

“Een jinni,” verbeterde de man me. “Het verhaal van Aladdin is niet correct in dat opzicht. Een olielamp met zijn open tuit kan geen jinni vasthouden. Daarvoor heb je een goed-sluitende fles nodig. En vergeet de verhalen over drie wensen. Die horen in sprookjes thuis. Maar ik had de jinni bevrijd en deze was me een wederdienst verschuldigd.”

“Hoe ziet zo’n geest eruit?” vroeg ik, “Groot, blauw en een baardje?”

Hij keek me broedend aan. “Jinn hebben geen vaste vorm. Deze verscheen als een kolkende witte mist, in eerste instantie. Terwijl ik nadacht over de wederdienst die ik zou verlangen verdichtte deze mist zich, en nam langzaam kleur en vorm aan. De kleur en vorm van een buitengewoon mooie jonge vrouw.”

Ik keek onwillekeurig naar de roodharige vrouw achter hem en stelde me voor dat de jinni op haar geleken moest hebben.

“Want weet je — ik was al te lang alleen geweest, en eenzaam, en mijn bed was al te lang leeg en koud. Ik denk dat ze — ik zal haar maar als vrouwelijk beschouwen — ik denk dat ze dat wist en mij in mijn wens stuurde. Jinn zijn niet altijd goedaardig, weet je, zelfs als je ze een dienst hebt bewezen.

Toch was ze blijkbaar aan een of andere regel gebonden. Want toen ik mijn verlangen kenbaar had gemaakt vroeg ze me: ‘Weet je dat zeker, man-van-klei?’ alsof ze me de kans wilde geven me te bedenken.”

“Man-van-klei?” vroeg Fred.

“God schiep de mensen van klei, en de jinn van vuur.” antwoordde de man. “Klei en nog wat ander spul voor de mens, en vuur zonder rook voor de jinn.”

“Het was een onvergetelijke nacht, een hete nacht, een vurige nacht,” vervolgde hij. “Het was ook de nacht waarop ik begon te sterven. Stukje bij beetje. Telkens als ik me stoot, of als iets mij aanstoot. Ik brokkel af.”

Hij legde zijn handen op tafel (ik zag dat ook aan zijn andere hand een vinger ontbrak) en stond op. “Want weet je — wat gebeurt er als je klei en vuur samenbrengt?”

Hij draaide zich stijf om en liep dan de tafel weg, ons beduusd achterlatend. Net toen hij het tafeltje van de roodharige vrouw passeerde viel haar paraplu om, recht voor zijn voeten.

Hij struikelde en viel languit, met een akelig krakend geluid. Toen hij niet opstond en wij gingen kijken, lag hij er niet. In plaats daarvan bleek de vloer bezaaid met scherven aardewerk. Toen we verbaasd om ons heen keken was ook de vrouw weg. De deur naar buiten stond open, en daar hing wat witte damp, alsof het buiten mistte.

Verder Bericht

Vorige Bericht

2 Reacties

  1. Esther 3 november 2019

    Ik wist dus helemaal niet dat deze site bestond met alle verhalen! Ik heb dus wel wat in te halen…
    Heerlijk! xx

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén