Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

3. De Truc

Sorry dat ik er gisteravond niet was. Het was weer de vaste kroegavond in het café van ouwe Luuk. Ik moet zeggen: het was interessant.

Al bij het binnenkomen had ik de man gezien die achteraf in een hoek zat, alleen. Ik weet niet waarom hij me opviel, want bij ouwe Luuk komen heel wat rare gasten, en deze man had niet veel bijzonders. Hoewel zijn kleding ietwat buitenissig was. Een avondkostuum, inclusief zwarte mantel. Een zwart snorretje, zwart haar maar kalend. Naast zijn stoel stonden een aantal planken tegen de muur geleund, waarvan sommige meer dan manshoog waren.

Ik ging aan onze vaste tafel zitten. Johan en Laurent waren er al, en Fred kwam na een paar minuten binnen. Astrid kwam onze drank brengen — inderdaad zonder dat we bestelden. Ze wist inmiddels wat iedereen dronk, en wanneer we te veel op hadden. Het was warm en waarschijnlijk droeg Astrid daarom een korte rok, tot groot genoegen van Johan die bewonderende blikken op haar benen wierp. Hij hield echter zijn handen angstvallig thuis. De oorvijg die hij laatst van Astrid had gekregen lag hem — en ons — nog vers in het geheugen.

Na een half uur drinken en praten bleek dat we die avond verder niemand van onze vaste groep hoefden te verwachten. Ook had geen van ons veel spannends te vertellen. We zouden waarschijnlijk naar de pooltafels zijn gegaan, maar Fred stelde voor om de man in de hoek bij ons aan tafel te noden.

“Hij ziet eruit alsof hij wel wat te vertellen heeft,” zei Fred. “Hij heeft wat geheimzinnigs.” Fred liep naar de man toe om de uitnodiging over te brengen, en bracht hem mee terug naar onze tafel.

De man stelde zich voor — hoewel ik zijn naam al niet meer weet — en dankte ons voor de uitnodiging.

“Ik ben veel op reis,” zei hij, “en het is altijd prettig ’s avonds wat aanspraak te hebben.”

Hij was, zo vertelde hij, goochelaar. Hij was onderweg van Berlijn, waar hij een tijd een show had gehad in een varieté, naar Parijs. Daar zou hij in een nachtclub gaan werken.

“Verdient goed, maar weinig uitdaging,” zei hij. “De mannen kijken ergens anders naar.”

Uiteraard vroegen we hem om een demonstratie van zijn kunnen, en gehoorzaam haalde hij ballen uit onze oren en een konijn uit mijn fietstas.

Ik vraag me af waar dat konijn gebleven is.

“Wat is je specialiteit? Je bijzondere act?” vroeg Johan. “Iedere goochelaar heeft toch een bijzondere eigen act?”

“Oh ja,” antwoordde de goochelaar. “De mijne is een klassieke. Ik zaag meisjes door.”

Ik wierp een blik op de planken in de hoek. “Vergis ik me, of heb je je act zelfs bij je?” vroeg ik.

“Altijd,” zei de goochelaar. “Hij is klein genoeg om zelf te vervoeren in plaats van op te sturen, en ik heb hem graag bij me.”

“Kun je hem laten zien?” vroeg Johan. De goochelaar sputterde even, zei dat het voorbereiding en tijd nodig had, maar zwichtte tenslotte.

“Mits je een meisje voor me hebt,” voegde hij eraan toe.

Al onze ogen schoten naar Astrid, die aan een tafel vlakbij een bestelling aan het opnemen was. Blijkbaar had ze het gesprek gehoord, want toen ze merkte dat we haar aankeken begon ze te protesteren.

“O nee,” zei ze, “geen sprake van! Absoluut niet!”

Het kostte ons met ons vieren (de goochelaar bemoeide zich er niet mee) bijna tien minuten om haar om te praten. Uiteindelijk ging ze schoorvoetend akkoord.

We vonden twee nog lege tafels (Luuk heeft altijd plaats voor meer gasten, hoe druk het ook al is) en plaatsten ze iets uit elkaar. Laurent en ik hielpen de goochelaar om de act in elkaar te zetten terwijl Johan bij Astrid bleef staan, waarschijnlijk bang dat ze zich zou bedenken. Ze keek ook best bedenkelijk naar de kist die we monteerden. Het was een ingenieuze constructie. Uiteindelijk stond er een lange kist, met de uiteinden op de twee tafels. In het midden zat een gleuf voor de zaag. Afijn, je kent het type. Tussen de planken was ik de zaag ook tegengekomen. Scherp, maar roestig.

Ik vroeg me af waarvan hij was gaan roesten.

Astrid zag wat bleek. Toen we klaar waren zei ze: “ik moet nog even wat doen”, en liep gauw naar achteren de personeelsruimte in. Ze was een half minuutje later terug. Ze had een omslagdoek om, die ze zorgvuldig om zich heen geslagen hield.

“Ik ben zover.”

De goochelaar sloot even zijn ogen, en toen hij ze weer opende stond daar een ander mens. Hij zat helemaal in zijn rol als artiest. Terwijl hij zoals gebruikelijk liet zien dat er geen dubbele bodems in de kist zaten en dat hij niets in zijn mouwen had, vertelde hij het verhaal dat bij zijn act hoorde. Hij kon meisjes doorzagen, zo vertelde hij, door zijn bijzondere kist. Het was een buitendimensionale kist. Wat erin ging kwam in een hogere dimensie terecht, waar andere topologische wetten golden. Daar konden doorgezaagde meisjes bestaan zonder dat ze dat last bezorgde. Alle goochelaars gebruikten dit de hele tijd, zei hij. Soms was het in die dimensie zo druk met doorgezaagde meisjes, dat het gebeurde dat hij de verkeerde helften terugbracht.

Hij wenkte Astrid, die zich duidelijk afvroeg of dit nu wel een goed idee was. Een duwtje van Johan hielp haar over de drempel. De goochelaar hielp haar galant de kist in, en sloot deze. Astrids hoofd en voeten staken er aan de uiteinden uit.

“En nu, dames en heren, verzoek ik u om gepaste stilte,” galmde hij. Hij maakte een weids gebaar en alle lichten gingen lager branden. Dat had hij vast met Luuk geregeld. Op gedempte toon ging de goochelaar verder. “Dit vereist uiterste concentratie…”

Hij zette de zaag in de gleuf en begon te zagen. Eerst langzaam, maar geleidelijk aan sneller. De zaag dook dieper de gleuf in, en zou volgens mijn schattingen niet ver meer van Astrids buik af moeten zijn.

“Eigenlijk wil ik dit niet,” bracht Astrid bibberend uit, “ik heb liever dat —” En toen gilde ze.

“AAAH! HOU OP! HOU…” Dit was het laatste verstaanbare wat ze uitbracht. Ze krijste, krijste. Het ging door merg en been. Ze kronkelde, haar voeten die uit de kist staken trappelden. Wij zaten verstijfd van schrik, te geschokt om te reageren.

De goochelaar was bleek en het zweet parelde op zijn hoofd, maar hij bleef doorzagen.

De zaag zag helemaal rood. Uit de kist droop het rood op de grond.
Het krijsen van Astrid bereikte een hoogtepunt, verzwakte plotseling tot een zacht gerochel. Haar voeten gaven nog een trap.

Haar hoofd zakte opzij en ze lag stil. Doodstil.

De zaag was door de hele kist heen. De goochelaar legde de zaag weg en boog. Dat verbrak onze verlamming.

We vlogen hem aan, de meest gruwelijke verwensingen uitslaand. Een van ons graaide naar de zaag, ongetwijfeld om de goochelaar ermee te lijf te gaan. Twee anderen sprongen op de kist af, om Astrid eruit te halen. Toen de goochelaar dat zag riep hij:

“Niet doen! Open de kist niet! Dan kan ik haar niet meer terughalen!”

Deze opmerking was zo verbijsterend dat we inderdaad van de kist afbleven. We drongen de goochelaar, die zich niet verweerde, in de hoek.

Net voor de eerste vuistslag neerdaalde hoorden we een vrouw achter ons beginnen te lachen. Astrid. En ze lachte steeds harder. We draaiden ons om. Roodaangelopen, gierend van de lach lag Astrid in de kist.

De goochelaar liep terug naar de kist, boog, en opende hem met een brede grijns. Nog nahikkend stapte Astrid eruit, haalde iets onder haar omslagdoek vandaan en stak dat naar ons uit.

Twee flessen ketchup, keurig doorgezaagd.

Terwijl wij de goochelaar hielpen de kist te demonteren en de troep op te ruimen, liep zij weer naar achteren, apetrots dat ze ons zo’n kool had gestoofd. Ze leek er wel een paar centimeter door gegroeid te zijn.

Het werd nog een rumoerige avond. De goochelaar kreeg rondje na rondje om zijn act te vieren, tot hij aangaf naar zijn hotel te moeten.

“Ik heb morgen nog een lange reis,” zo verontschuldigde hij zich.

Na verloop van tijd vertrokken ook Johan en Fred, en veel van de overige clientèle. Ik praatte nog wat na met Laurent.

“Toch,” zei hij, “toch vraag ik me af… Hoe konden die ketchupflessen nou doorgezaagd worden zonder Astrid te raken?”

Ik haalde mijn schouders op. “Geen idee. Goochelaarsgeheim.”

We rekenden af en liepen naar de uitgang.

“En er was ook bijna niet met de ketchup geknoeid,” ging Laurent verder terwijl we naar buiten stapten.

“Ik bedoel, er zat wel een vlek op haar omslagdoek, maar haar broek was nog helemaal schoon.”

Dat klopte, dat was me ook opgevallen. We namen afscheid en ik liep naar huis.

Toch zat me iets dwars aan die broek, en niet alleen dat hij schoon gebleven was. Ik kom er maar niet op wat.

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén