Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

26. De Val Van Constantinopel

De Val van Rome was maar een kleinigheid. U hebt nog nimmer een stad écht zien vallen.

Het was mooi weer voor het schoolreisje. De zon scheen vrolijk, er was voor deze dag geen regen gepland, en het briesje droeg de geur aan van de grashellingen die de stad omringden.

Polly nieste. “Stomme hooikoorts”, mopperde ze.

De laagste drie groepen van de Messalinaschool waren al vertrokken, op weg naar het Romalion; een thema-pretpark gebaseerd op het oude Rome. De eersteklassers kwetterden opgewonden over wat ze met hun slaven zouden doen terwijl de tweedeklassers opschepten over de legioenen die ze gingen aanvoeren. De kinderen uit de derde, die dit reisje al tweemaal eerder maakten, deden verveeld alsof ze net zo lief op school waren gebleven.

De hoogste drie groepen waren gisteren al op survivalkamp gegaan. De overlevers werden pas tegen het vallen van de avond terug verwacht.

Het kleine Speciale Klasje van Begaafde Kinderen onder leiding van Juf Pip stond ongeduldig te wachten. Dit klasje bestond uit vijf kinderen; er zijn tenslotte niet veel kinderen echt Begaafd.

Polly, een roodharig meisje met sproeten, was de minst begaafde van het stel; het had niet veel gescheeld of ze was niet toegelaten. Maar vergis je niet: ze had meer talent in haar kleine teen dan jij in allebei je grote tenen samen.

Amelia was haar beste vriendin. Niemand kan je vertellen hoe zij eruitziet, behalve dat ze groene ogen heeft; niemand onthoudt iets anders. Zulke ogen waren het.

Haar broer Gabriël, blonde krullen en blozende wangen, was misschien wel de begaafdste van het stel. Helemaal zeker was dat niet omdat hij zelden iets zei.

De donkere Timur verschool zijn intense ogen achter een bril die hij niet nodig had, en schoor zijn hoofdhaar in een borstelige zwarte hanenkam.

Tenslotte was daar de grijze, onopvallende Kron. Kron was een Tijdelijk Persoon. Zijn ouders konden zich niet veroorloven zijn licentie te verlengen en hij zou over een half jaar gerecycled worden. Misschien daarom was hij de laatste tijd nogal narrig en sarcastisch.

“Waar gaan we heen, Juf?” vroeg Timur. “Niet weer naar het Reservaat he? Een van de Primitieven daar heeft me vorig jaar gebeten.”

“Eigen schuld, Timur”, gispte Juf Pip hem. “Je had hem niet zijn apparaatje moeten afpakken. Ze zijn erg gehecht aan hun elektronica.”

“Naar het Apocalypsmuseum dan?” vroeg Amelia gretig. “Ik hoorde dat ze daar echte op de muren ingebrande schaduwen hebben, en dat je een stralingspak aan moet, en dat ze een glazen brug over de Grote Scheur hebben!”

“Niet naar het Apocalypsmuseum, Amelia”, antwoordde Juf Pip geduldig. “Misschien volgend jaar. Maar nu… ik zal jullie een hint geven. In welke stad duren de dag en de nacht beide twee weken?”

“Hoog-Constantinopel!” riepen de kinderen in koor; behalve Gabriël.

De shuttle landde en de klas stapte in.


Op het hoogtepunt van zijn macht besloot de neosultan van Turkije dat hij iets wilde nalaten dat de zeven wereldwonderen in de schaduw zou stellen, om zo zijn naam te vereeuwigen. Hij riep architecten en kunstenaars uit het hele Rijk op om een voorstel te doen. Er kwamen honderden plannen binnen, grootse, grandioze, en soms wat megalomane ideeën. Hieruit koos de neosultan uiteindelijk Hoog-Constantinopel.

Het idee was simpel maar gewaagd: een hangende stad. Hoog boven het aardoppervlak en boven de wolken, zodat de zon er altijd schijnt. Uiteraard moesten er vele technische problemen worden opgelost om dit te verwezenlijken. Om kosten te besparen zou de stad niet nieuw gebouwd worden; in plaats daarvan werd het oude centrum van Istanbul aangewezen om verheven te worden, van de Muur van Theodosius in het westen tot en met het Keizerlijk district in het westen. Desondanks ging het land failliet aan het project. Dat, en de rampzalige lancering die het leven kostte van vijf miljoen inwoners (waaronder de neosultan zelf), betekende het einde van het Herrezen Turkse Rijk. Het nieuwe stuk zee dat het verdwijnen van het oude stadsdeel opleverde wordt de Byzantijnse Zee genoemd.


“Hoog-Constantinopel is momenteel niet zo ver weg,” vertelde Juf Pip toen de shuttle zijn kruissnelheid had bereikt. “We zijn er over ruim een uur. Polly, hoe hard gaan we?”

Polly dacht twee tellen na. “Ik weet hoe lang we onderweg zijn, maar ik weet niet hoe ver de stad nu is. Maakt ook niet uit: omdat we erop landen moeten we dezelfde snelheid hebben als de stad zelf. Die gaat in een maand eenmaal de Aarde rond… tel daarbij de draaisnelheid van de Aarde.. Bijna 2000 kilometer per uur.”

Elk van de andere kinderen zou het antwoord al na één tel geweten hebben.

Ruim een uur later landde de shuttle net buiten de stad, en reed via een luchtsluis naar binnen. De lucht is ijl op vijf kilometer hoogte, en een wind van 2000 kilometer per uur is verwoestend. Daarom stond Hoog-Constantinopel onder een doorzichtige koepel die precies in het midden doorboord werd door de Kabel waaraan de stad was opgehangen.

De shuttle stopte op een groot plein aan de rand van de stad. Het klasje stapte uit.

“Goed, jongens, meisjes, en Tijdelijke Personen,” zei Juf, “jullie hebben vijf uur de tijd voor we weer naar huis gaan. Verken de stad, stel vragen, maak aantekeningen. Als jullie me zoeken ben ik in dát café daar.” Juf Pip wees. “En denk erom: niets stukmaken!”


‘Een hangende stad? Waaraan bevestig je een hangende stad?’ vraagt u zich misschien af. Aan de maan, natuurlijk, met een hele lange, hele sterke kabel.


De kinderen waren uit elkaar gegaan, om ieder voor zich de stad te verkennen. Kron stond op het centrale plein te kijken naar de zonnewijzer. Dit was een halve cirkel met een doorsnede van tien meter. Door het middelpunt (het middelpunt als het een hele cirkel was geweest) liep de Kabel. Krons ogen volgden de kabel twee kilometer omhoog tot waar hij door de koepel kwam. Hij wist dat de Kabel ondergronds nog honderden meters doorliep, waar hij in de rotsen verankerd was. Langs de rand van de halve cirkel was een schaalverdeling gemaakt van dagen in plaats van uren. In de daglichtperiode wees de schaduw van de Kabel de dag aan. Kron besteedde tien seconden aan het in zijn hoofd ontwerpen van een zonnewijzer die op de maanfasen werkte, voor de nachtperiode. Daarna maakte hij een vlugge schatting van het gewicht van de stad en vergeleek dat met de treksterkte van graniet. Peinzend liep hij het plein af, op zoek naar de anderen.

“Wat doet u?” vroeg Amelia met een lieve-kleine-meisjesstem. Zij had een weggetje gevolgd dat de stad uitliep. Nu stond ze op een terrein naast een grote vuilniskar en praatte tegen een man die aan een groot wiel in de grond draaide.

“Ik gooi het afval weg”, antwoordde de man. Het draaien aan het wiel bleek langzaam een groot luik in de grond te openen.

“Is dat een ondergrondse vuilnisbelt?”

“Eerder een stortkoker.”

Voorzichtig keek Amelia over de rand van de opening. Het gat was diep, heel diep, en had geen bodem. Onderin zag ze een opening, en door de opening zag ze de wereld beneden.

“Gooit u het afval gewoon naar beneden? Klaagt nooit iemand daarover?”

“Het valt bijna allemaal in zee. Ooit is een Colombiaan komen klagen dat zijn vrouw een oude keukenstoel op haar hoofd had gekregen.”

“…En?” vroeg Amelia.

“Dood, natuurlijk. Zo’n stoel gaat erg hard na vijf kilometer vallen.”

“Ik bedoel, wat deed u met de klacht?”

“Met de klacht of met de klager?” schamperde de man. Hij wierp een veelbetekenende blik op het gat in de grond.

“Dank u wel”, zei Amelia met haar lieve-kleine-meisjesstem en liep terug naar de stad.


De tijd in Hoog-Constantinopel werkt anders en volgt niet het jachtige 24-uursritme van de oppervlaktebewoners. Een daglichtperiode duurt veertien dagen. De hemel is altijd helder, omdat de stad boven de wolken zweeft. Onder de glazen koepel wordt het dan behoorlijk warm en de bevolking doet het rustig aan. Halverwege wordt de daglichtperiode kort onderbroken door een zonsverduistering, als de maan tussen zon en stad in staat. Het is ook veertien dagen donker, als de stad zich in de schaduw van de Aarde bevindt. Dan komt Hoog-Constantinopel pas echt op gang. De stad is vermaard om zijn nachtleven.


Gabriël bezocht het Paleis. Dit was een van de weinige gebouwen die waren opgetrokken nadat Hoog-Constantinopel de lucht in ging en stond op de plek van het vroegere Keizerlijke paleis. Het bestond grotendeels uit zwart graniet en wit marmer en was, hoewel grandioos en prachtig, ook zeer somber.

“De dochter van de neosultan heeft het laten bouwen”, vertelde een suppoost. “De neosultan had de hand van de prinses beloofd aan de bedenker van Hoog-Constantinopel, maar… Ach nee, dat is een verhaal op zich.”

Gabriël zei niets en keek de suppoost aan.

“De stenen zijn gedolven onder de stad zelf”, ging de suppoost verder. “Drie verschillende mijnen zijn gegraven en leeggehaald, de stenen naar boven gebracht en bewerkt. Het Paleis is zo echt een deel van de stad.”

Gabriël zei niets en keek de suppoost aan, nu met een wenkbrauw opgetrokken.

“Natuurlijk waren er een paar doemdenkers die vreesden dat de ondergrond van de stad van de stad zou verzwakken door die mijnen uit te graven. Er waren er zelfs die dachten dat de hele rots waarop de stad gebouwd is uit elkaar zou vallen. Maar niemand geloofde die onzin, natuurlijk.”

Gabriel zei niets en liep weg.

In Ouwe Luuks kroeg schonk Astrid een tweede glas arak in voor Juf Pip. “Is het niet gevaarlijk om de kinderen zonder toezicht in de stad te laten rondzwerven?” vroeg ze.

“Het zijn Begaafde Kinderen”, antwoordde Juf. “Die lopen niet in zeven sloten tegelijk.”

“Ik bedoelde gevaarlijk voor de stad”, zei Astrid.


“Geloof kan bergen verzetten”

   — Jezus

“Maar kan het steden laten vliegen?”

   — Onbekende commentator


“Wat zoek je, kleine meid?” Polly zat uit te rusten op de rand van een fontein op een plein in de buurt van de vroegere universiteit. Een oude man sprak haar aan.

“Waar zijn de katten?” vroeg ze. “Ik heb uren door de stad gezworven en overal gekeken. Er horen katten te zijn — hopies katten!”

“Heel goed, kleine meid”, complimenteerde de oude man haar. “Cypers en Schildpad, Mackerel en Tabby. We hebben ze allemaal.”

“Maar waar zijn ze dan?” vroeg Polly. “Ik heb er geen gezien.”

“Siamees en Burmees en Pers,” ging de man verder, “Europese, Britse en Amerikaanse Korthaar. Noem een ras en je vindt ze in Hoog-Constantinopel.”

“Maar —”, begon Polly.

“Noorse Boskat, Turkse Angora — die voelt zich hier in het bijzonder thuis, haha — en Egyptische Mau. Somali, Japanse en Amerikaanse Stompstaartkat, Balinees. Korat, Chartreux, Nebelung en Ocicat. Manx en Savannah. En laten we vooral de naaktkatten niet vergeten: de Sphynx.”

“Waar zijn ze dan?!” riep Polly. “Alle katten zijn weg!”

“Ja, dat is wel een beetje een probleem”, gaf de man toe. “Sinds een week lijken alle katten verdwenen te zijn. Je wilt niet weten hoeveel last we sindsdien van muizen hebben.”

“Niet van ratten?”

“Nee. Ratten zijn te slim om te blijven, als zelfs de katten vertrekken. Ik heb geen idee waarom ik dat zeg.”

Hoofdschuddend liep de oude man weg.

“Dat kon wel eens een goed idee zijn”, mompelde Polly, en stond op om de anderen te gaan zoeken.

“Deze hele stad is natuurlijk onmogelijk”, zei Juf tegen Astrid toen die weer kwam bijschenken.

“Geen kabel kan de krachten weerstaan die tussen de maan en de stad optreden. De ondergrond van de stad is niet sterk genoeg zonder honderden kilometers rots eronder, en zou uiteen moeten vallen. Ik laat mijn klasjes dat altijd uitzoeken en narekenen, als opdracht.”

“Ik weet niet of dat verstandig is”, zei Astrid. “Voor de stad, bedoel ik.”

“Oh dat kunnen ze wel”, antwoordde Juf Pip, die niet echt luisterde. “Volgens mij is Hoog-Constantinopel gebaseerd op ons onbekende technologie, of op magie.”

“Of op geloof”, zei Astrid.

“Dat is een interessant punt”, peinsde Juf. “Het is een bekend gegeven dat natuurwetten het veld ruimen als maar genoeg mensen geloven dat iets onmogelijks mogelijk is. Maar het is kwetsbaar. Als voldoende mensen van hun geloof vallen grijpt de realiteit haar kans.”

“Vijf is misschien al genoeg”, mompelde Astrid en liep terug naar de toog, op zoek naar Ouwe Luuk.

Timur was op bezoek bij de touwslager van Hoog-Constantinopel.

“Hebt u ook de Kabel gemaakt waaraan de stad is opgehangen?”

“Wat? Nee!” lachte de touwslager. “Toen was ik nog niet geboren. Ik maak touwen voor dagelijks gebruik.”

“Er is zeker speciaal sterk materiaal gebruikt voor die Kabel”, zei Timur. “Nano-koolstofvezels, of elektrisch versterkte monomoleculaire fibers.”

“Gewoon goede oude hennep”, grinnikte de touwslager. “Gewoon touw, dus. Een heel dik touw, inderdaad, maar niks speciaals.”

“Dat kan toch nooit de stad dragen?”

“Wel als het dik genoeg is. Elke maand controleer ik het touw, en het ziet er nog goed uit.”

“Kijk je het touw na over de hele lengte?”

“Nee, onder de koepel. Waar het gewicht van de stad zit.”

“Dat klopt niet”, wierp Timur tegen. “De grootste kracht op het touw is waar de zwaartekracht van de maan en die van de aarde elkaar opheffen. Dat is veel dichter bij de maan dan bij de aarde; een paar honderdduizend kilometer hoog. De Kabel onder de koepel controleren is zinloos.”

De touwslager haalde zijn schouders op. “We hangen nog altijd.”

“Nog wel”, zei Timur, en ging zijn klas zoeken.


Als je op vijf kilometer uit een vliegtuig springt zonder parachute ben je in ongeveer anderhalve minuut beneden. Het lijkt korter omdat je door zuurstofgebrek het eerste deel van je val buiten bewustzijn bent. Je raakt de grond met een kleine 200 kilometer per uur – de luchtweerstand voorkomt dat je een hogere snelheid krijgt.

Om deze en andere redenen is het verstandig om niet op vijf kilometer hoogte zonder parachute uit een vliegtuig te springen.

Als een rots van ruim 300 miljard ton — zeg, een oude binnenstad met zijn ondergrond — vijf kilometer naar beneden valt dan doet de luchtweerstand er niet toe. Na 22 seconden raakt de rots de aarde met een verticale snelheid van 800 kilometer per uur.

Het probleem: er is geen parachute die groot genoeg is voor een stad.


De kinderen verzamelden zich bij Juf Pip in Ouwe Luuks kroeg.

“Wat hebben jullie geleerd?” vroeg ze.

“Hoog-Constantinopel kan niet bestaan”, zei Polly botweg. Er ging een lichte trilling door de vloer.

Ouwe Luuk stond bij hun tafel. “We gaan sluiten.”

“Een laatste ronde nog?” vroeg Juf. Ze had blosjes.

“Er is geen tijd meer voor een laatste ronde. We gaan dicht.”

Een minuut later stonden ze buiten. Ouwe Luuk had aangedrongen.

“Waarom kan Hoog-Constantinopel niet bestaan?” Juf klonk tevreden met haar leerlingen.

“De rots waarop het is gebouwd is te breed en niet diep genoeg. De structurele sterkte is niet groot genoeg”, antwoordde Kron. “Er zouden stukken afbreken.”

Weer ging er een trilling door de grond, een sterkere ditmaal.

“Om het erger te maken hebben ze de ondergrond ook nog verzwakt door er mijnen in te graven.” Dit was een langere zin dan Gabriël in drie weken gezegd had.

Juf Pip keek om, naar het etablissement waar ze zojuist uitgezet waren. Het was verdwenen. Oh, het gebouw stond er nog wel, maar het was niet meer Ouwe Luuks kroeg. Die was weg. Juf begon licht bezorgd te kijken.

Een nieuwe trilling — maar deze hield niet op. Hij werd sterker en sterker. Toen: een enorm lawaai, zoals je krijgt als een paar tientallen miljarden tonnen gesteente van een grotere rots afbreken. Het hield vele lange seconden aan.

Toen kantelde de wereld.

Juf Pip en de kinderen werden omgegooid; Polly vloog zelfs een eindje door de lucht voor ze weer op de grond viel. Gabriël rolde een paar meter door. De wereld stond nu dertig graden uit het lood, en schommelde en schokte bovendien. Er was geen sprake van dat ze konden opstaan zonder onmiddellijk weer om te vallen. De kinderen klampten zich languit liggend aan de grond vast. Ze wilden niet van de stad afvallen (hoewel de koepel dat zou verhinderen).

“Dat was de oostelijke punt,” zei Amelia. “De Keizerlijke wijk. Zeg maar dag tegen de Hagia Sophia en zo. Die botst ongeveer nu op de aarde. We gaan sneller dan het geluid, dus dat zullen we nooit horen. Timur, denk je dat we genoeg gewicht verloren zijn?”

“Geen kans op”, zei Timur. “De Kabel zou niet eens zijn eigen gewicht moeten kunnen dragen. Hij had al moeten knappen voordat de stad verheven werd.”

“Alle katten zijn weg, Juf”, zei Polly. Nu werd Juf bleek.

Weer een schok, en het volgende moment zweefden ze iets boven de grond. Hun gewicht was verdwenen. Gelukkig hadden de meeste kinderen nog steed goed houvast. Polly dreef iets af maar Amelia kon haar op tijd vastgrijpen. Een zacht geluid zwol aan tot een ver verwijderd kabaal: de lucht die langs de koepel suisde. Een stad maakt veel misbaar als ze valt.

“Ah, de Kabel heeft de werkelijkheid onder ogen gezien en is geknapt”, zei Timur. “Hoog-Constantinopel valt, en wij met haar. We raken de grond straks met 800 kilometer per uur valsnelheid, plus 2000 van de omloopsnelheid. Dat gaat een beste klap geven. Je gaat je afvragen of de dinosauriërs misschien ook hangende steden hadden. Wie weet was het helemaal geen meteoor die ze uitroeide.”

“Wanneer?” gromde Juf Pip tussen opeengeklemde kaken.

“70 miljoen jaar geleden, Juf”

“Nee — wanneer raken we de grond?”

“Oh”, zei Timur. “Ongeveer n—”

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén