Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

18. Grenscontrole

“Ik kan jullie vertellen wat Roodkapje wérkelijk in het bos deed”, zei de beduimelde man.

We hadden hem naar onze tafel gewenkt toen we hem alleen in een hoekje achter zijn bier zagen zitten. Niet om zijn eenzaamheid te verlichten (alleen zijn is niet per se eenzaam) noch uit medelijden (wij zijn zuinig op ons mededogen; het is bijna op en het restje staat thuis in een goed-afgesloten pot). We wenkten hem omdat we dachten dat hij een verhaal had. Zijn hele verschijning straalde dat uit. En wij zijn dol op verhalen.

Bovendien was het een saaie, stille avond bij Ouwe Luuk. Er waren maar drie tafels bezet. Aan een daarvan zaten wij – dat wil zeggen Fred, ik, en de beduimelde man. John was er ook, maar die had een collega van de universiteit op bezoek en zat met hem te praten aan een naburige tafel. Tenslotte, aan de tafel achter mij, namen twee politieagenten een afzakkertje na een late dienst.

Aan beide andere tafels werd niet zachtjes gesproken, dus het kan zijn dat er in dit relaas af en toe wat flarden van hun gesprekken tussendoor glippen. Alvast mijn excuses daarvoor.

“Roodkapje? Vertel daar eens over?” vroeg Fred.

“Dat zal ik doen,” zei de duimenman. “Jarenlang was ik professioneel verhalenverteller, weet u. Ik weet waar ik het over heb. Dorstig werk, trouwens.”

We wenkten Astrid voor een nieuwe ronde.

“Dat was een stukje magie,” aldus onze gast. “Later leg ik dat wel uit.”


“In principe ben ik aanhanger van de Kopenhaagse interpretatie van de quantummechanica”, hoorden we Johns collega tegen John zeggen aan de andere tafel. “Het is de meting die veroorzaakt dat uit alle mogelijke uitkomsten er één gekozen wordt, en dus daarmee de realiteit bepaalt.

Daarnaast denk ik dat zo’n meting een bewuste waarneming moet zijn. Zo niet, dan is het meetinstrument gewoon onderdeel van het systeem, van de gebeurtenis, en bepaalt het die niet.”


“Ze zeggen dat de overwinnaar de geschiedenis schrijft,” zei de beduimelde man, “maar dat is slechts ten dele waar.”

“Je bedoelt dat onafhankelijke historici alsnog de waarheid kunnen achterhalen?” vroeg Fred.

“Ik bedoel dat wie de geschiedenis schrijft, wint. En dat geldt niet alleen voor oorlog.” De beduimelde man nam een slok van zijn bier.

“Die goede bisschop Berkeley stelde de juiste vragen, maar hij verzuimde om dóor te vragen. De boom die in het bos valt maakt inderdaad alleen geluid als er iemand is om het te horen. Zonder waarnemer is er geen geluid. Maar in dat geval is de boom er óok niet, en het bos evenmin.

Maar denk verder. Als de man in het bos niemand vertelt dat hij de boom heeft horen vallen, wat gebeurt er dan als hij sterft? Dan houdt het geluid op ooit geklonken te hebben, de boom gevallen te zijn, het bos bestaan te hebben.

De waarneming alleen is niet voldoende. Het moet herinnerd worden en doorgegeven aan anderen. Als verhaal, dus, want wat de ene mens de ander vertelt is altijd een verhaal. En natuurlijk is zo’n verhaal onnauwkeurig. Het vertekent, en daarmee verandert ook wat er oorspronkelijk gebeurde: want het is het verhaal dat de werkelijkheid bepaalt.

Er is geen objectieve realiteit.”

Waarom noemden wij hem de beduimelde man? Hij maakte geen belezen indruk, eerder een gelezen. Hij had ezelsoren maar niet aan zijn hoofd, en sommige van zijn pagina’s hingen los ook al was hij niet van papier. Maar op het astrale vlak — je kunt niet jarenlang Ouwe Luuk’s frequenteren zonder dat je leert een beetje op het astrale vlak te kijken — op het astrale vlak was hij beduimeld. Gelezen, herlezen, stukgelezen, gescheurd en weer gerepareerd, en vele “te laat” boetes van de bibliotheek verschuldigd.

Van wie was hij het lievelingsboek?


“Het was een rotweek,” zei de jongere agent. Weet je nog dat een van de tafels door twee agenten bezet waren? “Drie meldingen van kwaaie boeren dat hun schapen waren gedood door een hond. Ik ben bij alle drie wezen kijken. Natuurlijk geen hond te zien en geen enkele aanwijzing om de verantwoordelijke eigenaar te achterhalen.

Die schapen waren goed toegetakeld, en half opgegeten. Dat moet een hele grote hond geweest zijn, of misschien waren het er meerdere.”


“Een verhaal kan dus de werkelijkheid veranderen. Dit noemen we magie.”


Johns collega klonk opgewonden. “Maar wat nu, vraag ik je, als verschillende bewustzijnen een gebeurtenis verschillend waarnemen (onze zintuigen zijn feilbaar) of verschillend interpreteren? Er is geen natuurwet, geen regel die de ene interpretatie als beter dan de andere kan bestempelen.

Ik denk dat in zo’n geval het universum werkelijk splitst. Er ontstaan twee werkelijkheden, een waarin de ene interpretatie klopt, en een waarin de andere klopt. Een soort multiversum-light, zoals een van mijn collega’s het noemt.

Met als belangrijkte punt dat het de mens is de de nieuwe universa laat ontstaan, en niet iedere willekeurige quantumgebeurtenis.”


De ezelsorenman ging verder.

“Een verzonnen verhaal, een dat niet over een daadwerkelijke gebeurtenis gaat of pretendeert de werkelijkheid weer te geven, verandert de realiteit niet maar laat een nieuwe ontstaan. Dit verschijnsel is bekend bij geleerden, die dat het multiversum noemen. Helaas begrijpen ze er niets van.”

Hij grinnikte en nam nog een slok van zijn bier.

“Toen de boeren het verhaal van Roodkapje bedachten, creëerden ze een wereld waarin wolven hele oma’s en meisjes konden opeten. Toen Lovecraft zijn verhalen schreef, wekte hij een werkelijke Chthulu tot leven. Elders.”

“Je zou ons nog vertellen wat Roodkapje wérkelijk in dat bos deed” herinnerde ik me.

“Ik heb werkelijk geen idee,” bekende de verfomfaaide man. “Dat zei ik maar om jullie belangstelling te wekken.”

“Een nieuw verhaal doet een nieuwe werkelijkheid ontstaan. Dit noemen we Schepping.

Dit was wat God deed toen hij het Woord sprak. Volgens sommigen had er betere eindredactie aan te pas mogen komen.”


“Als klap op de vuurpijl word ik gisteren naar de rand van het bos geroepen”, ging de jongere agent verder. “Een wandelaar had daar een bundel kleren gevonden, dacht hij. Toen hij het rode manteltje dat bovenop lag wegtrok, bleken daar twee bloederige lijken onder te liggen. Gruwelijk verminkt. Volgens de patholoog-anatoom een jong meisje en een oude vrouw. Er waren stukken van ze aangevreten; ze zijn nog aan het onderzoeken of dat een aaseter is geweest of dat ze misschien door een beest zijn gedood.”


“Ik ben voorzichtig met wat ik jullie vertel”, zei de herlezen man. “Ik laat deze werkelijkheid zoveel mogelijk met rust; ik woon er immers. Ook probeer ik niet deze en de andere realiteiten voor elkaar open te stellen. Er zou lekkage optreden, een uitwisseling van werkelijkheden. Ik weet niet zeker of onze wereld sterk genoeg is om sommige van die andere te overleven.”

De beduimelde man keek zorgelijk.

“Helaas is niet iedereen even voorzichtig. Zo hoorde ik (ik vertel niet van wie) over een science-fictionverhaal dat onlangs is gepubliceerd. Hierin wordt een Poort uitgevonden die verschillende werkelijkheden met elkaar verbindt, waardoor mensen en andere wezens van de ene wereld naar de andere kunnen oversteken. Ik hoop maar dat het een slecht verhaal is, met onvoldoende geloofwaardigheid om de werkelijkheid te veranderen.”


Johns collega zei: “Om mijn hypothese te testen deed ik een experiment. Ik genereerde verschillende wormgaten en liet ze een paar dagen openstaan, en ik mat of er iets doorheen kwam wat niet in deze werkelijkheid thuishoort.”

“En?” vroeg John.

“Voorlopig is het te vroeg voor conclusies: de apparatuur moet eerst gecalibreerd worden. Ik kreeg onzinnige resultaten. De metingen gaven aan dat er verscheidene objecten op macroscopische schaal — zo groot als jij en ik, en zelfs iets zo groot als een berg — door de wormgaten zijn gekomen. Dat is natuurlijk onmogelijk.”


“Wat een rotklus”, beaamde de oudere agent. “Ik krijg weer de paniekzaaiers. Morgen mag ik het verhaal gaan aanhoren van een aantal mensen dat beweert een enorm, gruwelijk wezen uit zee te hebben zien oprijzen. Mensachtig, zo groot als een berg, met groene schubben en een kop als een octupus, beweren ze.”

De jongere agent grinnikte. “Die kijken teveel rare films.”


De stukgelezen man besloot: “Er wonen akelige wezens in sommige van die andere werelden.”

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén