Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

17. Onweer

“De monsters onder het bed bestaan echt. Bovendien, ze eten per jaar honderden kinderen.”

Buiten woedde een zwaar onweer, en het licht bij Ouwe Luuk was uitgevallen na een bijzonder harde donderklap. De man die voorgaande woorden sprak hadden we niet gezien tot een bliksemflits het interieur verlichtte. Hij moest ongemerkt zijn aangeschoven.

“En u bent…?” vroeg Johan.

“Een bezoeker.”

Het was weer vrijdagavond, onze vaste kroegavond. Maurice en Fred hadden zich afgemeld wegens het weer, zodat ik, Johan en Laurent overbleven. Plus onze bezoeker.

“Zei ik honderden?” ging de man verder. “Duizenden, misschien nog een veelvoud daarvan.”

Laurent schraapte zijn keel.

“Toch hoor je daar niet veel van; monsters, of afgekloven kinderbotten naast het bed…”

De bezoeker snoof.

“Zo werkt dat niet. Die monsters horen hier niet. Ze komen uit een andere realiteit…”

Johan trok een wenkbrauw op.

“…en ze eten niet alleen het lichaam, maar het hele bestaan van een kind. Herinneringen, sporen, … het slachtoffer heeft nooit bestaan. Zelfs de ouders missen het niet.”

“Hoe weet je dan dat het gebeurt?” vroeg Johan.

“Statistische analyses, patronen van ontbrekende dingen… De regering houdt het geheim, vanzelfsprekend. Iedereen denkt dat de laatste honderd jaar het geboortecijfer gedaald is, maar in feite wordt meer dan de helft van alle kinderen op deze manier… weggegeten.”

De donder! De bliksem! Het onweer had gevoel voor drama en timing. We zwegen tot we ons weer verstaanbaar konden maken.

“Uit een andere realiteit?” vroeg Johan sceptisch.

“Andere realiteit, ander universum, ander vlak van bestaan… het zijn maar woorden. De monsters komen van Elders, en ze horen hier niet. Ze houden zich niet aan de spelregels van de wereld; niet aan de natuurwetten en niet aan de causaliteit. Wist u dat de wet van oorzaak en gevolg niet meer is dan een conventie? De meer energieke realiteiten hebben zich daar allang aan ontworsteld.”

Laurent bromde. “Dit is wartaal.”

“Alleen volgens de beperkte normen van deze wereld”, repliceerde de bezoeker.

Bij het licht van een bliksemflits wisten we Astrid te gebaren dat we wat wilden drinken. Ze bracht ons elk een Electric Storm cocktail. Ouwe Luuks kroeg schenkt alle dranken van de wereld en de meeste van daarbuiten, en serveert graag iets toepasselijks.

“Enig idee wanneer het licht het weer doet?” vroeg Laurent.

“Nee”, zei Astrid. “Luuk probeert nu de noodgenerator aan de praat te krijgen, maar lijkt niet veel succes te hebben.”

Inderdaad hoorden we gedempt gestommel in de kelder, afgewisseld met gesmoord gevloek.

“Hoe komen die kindervretende monsters hier?” vroeg Johan, toen onze ergste dorst gelest was.

“Door de barsten in de wereld. Als zo’n barst breed genoeg is, en lang genoeg open blijft, kunnen sommige zich erdoor wurmen.”

“Barsten?”

De bezoeker grijnsde een gebroken grijns in het licht van de volgende bliksemflits. Man, wat was dit onweer hevig!

“Kijk naar buiten. De ene na de andere barst doorklieft de wereld. Iedere flits een breuklijn in de werkelijkheid.”

We keken een tijdje naar het gebliksem buiten en overwogen de mogelijkheid dat monsters daardoorheen zouden komen. Johan neuriede zachtjes “There is a crack in everything, that’s how the light gets in.”

“Onzin” zei hij toen. “Bliksem is een electrische ontlading. Geen barst in de wereld.”

“Zoals men het hier probeert te verklaren wel”, antwoordde de bezoeker.

“Maar wees eerlijk: onzichtbare electronen die door een isolator — wat de lucht tenslotte is — stromen en daarbij licht geven? Een bliksem verklaren als een barst waardoor je een glimp van een andere werkelijkheid ziet: dat is toch veel bevredigender?”

Ik knikte instemmend, en vroeg me toen af waarom ik dat deed.

“Toch…” twijfelde Laurent, “onweer is van alle tijden. Je suggereerde dat de monsters pas de laatste eeuw of zo binnendringen.”

“Tot voor zo’n honderd jaar waren de ontladingen meestal niet sterk en langdurig genoeg. Slechts heel af en toe kwam er iets doorheen. Maar zoals je misschien gemerkt heb worden de onweersbuien langzaam maar zeker steeds heftiger, met meer en langere bliksemflitsen.”

“Hoe komt dat dan?”

“Gedeeltelijk doen jullie dat zelf. De opwarming van de aarde zorgt ervoor dat er meer energie in de atmosfeer beschikbaar is.”

Ik keek even naar Laurent en Johan, maar die reageerden niet op dat “jullie”.

“Maar voor een heel groot deel komt het door dit.”

De bezoeker had een voorwerp op tafel gezet. Het was een raamwerk van metalen draden, die op een ingewikkelde manier door elkaar kronkelden. Het leek op een niet te volgen manier steeds te veranderen. Een stuk draad dat het ene moment voor een ander stuk draad liep, lag er een moment later achter, en weer later wond het zich eromheen. Toch zagen we ze niet bewegen. Een aantal draden stak een eind uit het voorwerp, en daar speelde een eigenaardig blauw licht omheen.

“Sint-Elmusvuur?” zei Johan verbaasd. “Dat ding is veel te klein om daarvoor voldoende potentiaalverschil te hebben!”

Laurent was praktischer. “Wat is dat?”

Het gestommel van beneden werd minder gedempt en het gevloek was beslist niet meer gesmoord. Ouwe Luuk had nog geen succes met de generator.

“Vergelijk dit ding met de koevoet die je in een kier zet om iets open te breken” zei de bezoeker.

“Het trekt en wrikt in de barsten die de bliksems zijn en maakt ze wijder, en laat ze langer open. Het werkt met electriciteit, natuurlijk omdat jullie wereld bliksem als electriciteit behandelt.”

Vanuit de kelder hoorden we het geluid van een generator die probeerde te starten en weer stilviel. Het ding gloeide even op.

“Ah, als ongelukkig bijverschijnsel verstoort het alle electriciteit in de wijde omtrek”, sprak de man monter.

“Als het waar is wat je zegt, waarom gebruik je dat ding dan? Waarom laat je de monsters binnen?”

De bezoeker grinnikte. “Zoals je vast al geraden hebt kom ik ook van dáár. Ik vind het hier leuk, maar wel een beetje saai. Daarom haal ik wat van het leven van mijn thuisrealiteit hierheen, als huisdieren zou je kunnen zeggen. De kinderetende monsters zijn maar klein grut. Er zijn al eenhoorns gesignaleerd, hoewel ze dat uit de pers houden. Maar eigenlijk probeer ik…”

Het ding voor hem op tafel siste en spetterde. Vlammetjes van blauw licht raceten over de draden, verdwenen opeens, en verschenen weer op een andere draad. Opeens doofden ze alle, en direct daarop schoot er buiten een bijzonder heldere bliksemflits door de lucht, die secondenlang aanhield. De donderklap bereikte ons nog voor de flits doofde. Wat een klap! Tafels rammelden, stoelen schudden, en verschillende flessen vielen. Het duurde even voor het nabeeld uit onze ogen was en we weer wat konden zien, en even lang voor we weer wat hoorden.

“Kijk…” zei de bezoeker, met een tevreden zucht.

Wij keken naar buiten, en zagen na een paar tellen plots een honderden meters lang oranje vuurspoor door de lucht schieten.

“…Mijn draak is gearriveerd.”

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén