Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

19. De Bouwer

We moesten het doen. Hoe gruwelijk, hoe monsterlijk ook – we móesten het wel doen.

En eigenlijk moet u ons dankbaar zijn.

Het was vorige week vrijdagavond.

(Vorige week vrijdagavond op het moment dat ik dit schrijf. Ik weet niet wanneer u dit leest; mogelijk is het voor u langer geleden. Maar het was zeker een vrijdagavond.)

De sfeer aan ons tafeltje in de kroeg van Ouwe Luuk was bedrukt. Maurice had een vakantiehuisje laten bouwen in de Ardennen, en daar was hij over aan het vertellen.

(Nee, het verband tussen de sfeer en het huisje is logischer dan u denkt. Lees door, dan wordt het vanzelf duidelijk.)

“Op een open plek op een helling, tussen de bossen”, vertelde Maurice sip. “Een klein weggetje loopt er op zo’n 100 meter afstand langs. Goed bereikbaar met de auto, maar heel rustig. Er komt alleen bestemmingsverkeer.”

Ouwe Luuk kwam de bestelling brengen.

“Vrolijke boel hier”, bromde hij terwijl hij de glazen neerzette. Hij knikte richting een tafeltje in de hoek. “Daar zit ook al zo’n gezelligerd.”

Het was een grote, stevige man die aan dat tafeltje nors in zijn bier zat te staren.

“Misschien is het een goed idee om hem te vragen bij jullie te komen zitten”, zei Luuk.

Dat zeggen was overbodig; Ouwe Luuk wist best dat we dat zouden doen omdat we niet compleet waren zonder een vreemde in ons gezelschap.

“Om hem op te beuren?” vroeg ik, bleu.

“Om hem tegen te houden”, antwoordde Luuk duister en liep terug naar de toog.

De grote man ging na een korte aarzeling op onze uitnodiging in. Toen hij bij ons zat zagen we dat zijn omvang meer uit spieren dan uit vet bestond, en dat zijn handen opvallend groot waren. Duidelijk iemand die aan zwaar werk gewend was. Zijn leeftijd was moeilijk te schatten. Zijn lichaam leek middelbaar, maar zijn ogen stonden oud.

“Helemaal gebouwd van natuursteen”, vervolgde Maurice zijn klaagzang. “Houten luiken, een met leisteen gedekt dak. Twintig meter verderop stroomt er een beekje langs. Heel pittoresk.”

De grote man volgde het verhaal van Maurice aandachtig.

“Wat doet u voor de kost?” vroeg John hem.

“Ik ben bouwer”, antwoordde de man.

“Er zit natuurlijk een grote badkamer met ligbad in het huisje, dat wilde Vivienne graag”, vertelde Maurice. Vivienne is zijn vrouw. Zij was achtergebleven in het nieuwe vakantiehuisje, terwijl hij was teruggekomen om wat financiële zaken te regelen.

“En een grote keuken. Dat wilde ik graag”, zei Maurice terwijl hij op zijn buik klopte.

“Wat bouwt u dan?” vroeg John. “Huizen? Kantoren? Fabrieken? Websites?”

“Werelden”, antwoordde de man met de grote handen.

Maurice vervolgde met bedrukt gezicht: “Open haard midden in de woonkamer. Slaapkamer met balkon. Overdekte patio.”

“U bouwt werelden?” vroeg John de vreemdeling. “Hoe moet ik me dat voorstellen?”

“Simpel”, bromde de grote man. “Je begint natuurlijk met Niets. Daar installeer je wat natuurwetten in. Dan gooi je er een hoop materie en energie in en zet je het in gang. Sterren, sterrenstelsels, planeten; het komt allemaal vanzelf als je de begincondities maar goed hebt. Dat luistert wel heel nauw.”

“Hele universa dus”, prevelde John. “U bent eigenlijk schepper.”

“Nee”, schudde de bouwer zijn hoofd. “Het is aangenomen werk. In opdracht, op basis van specificaties. De opdrachtgever is de eigenlijke schepper.”

“Overal dubbel glas, bierkelder, wifi”, dreinde Maurice monotoon verder. Hij merkte niet dat wij vooral naar de grote man luisterden.

“Hebt u dít universum, déze wereld gebouwd?” vroeg ik terwijl ik weids om me heen gebaarde.

“Jep”, antwoordde de bouwer. “Mooie, interessante klus. Natuurwetten op basis van toeval en onzekerheid; een ‘first’ in deze business. Een enorme ruimte en tijd — 13 miljard jaar! — als achtertuin voor slechts één wereld waar het om gaat. En wát voor wereld. Een plaatje! Grote verscheidenheid aan landschappen, en het wemelt er van de levenssoorten. Zelfs één of twee halfintelligente soorten.”

Maurice zuchtte. “Maar het is allemaal veel duurder dan ik had verwacht. De aannemer wil nú betaald worden en dringt steeds meer en steeds onaangenamer aan; maar ik heb het geld momenteel gewoon niet!”

We knikten meelevend maar meewarig. Geld en Maurice waren dingen die elkaars aanwezigheid niet erg lang verdroegen. Toen richtten we onze aandacht weer op de man met de grote handen.

“En nu bent u van het resultaat van uw werk aan het genieten?” vroeg John.

“Nee, ik ben allang weer met andere klussen bezig”, bromde de man. “Ik kwam hier om te praten met de opdrachtgever. Hij heeft nog steeds niet betaald. Helaas heeft dat gesprek niet geholpen. Hij weigert botweg om over de brug te komen.”

De grote man zuchtte. “Maar wat kan ik daar nou aan doen?”

Maurice haalde zijn schouders op. “Die aannemer moet maar wachten tot hij zijn geld krijgt. Wat kan hij er nou aan doen?”

Net toen Luuk de volgende ronde bracht ging de mobiele telefoon van Maurice. Hij liep naar een stillere plek terwijl hij opnam.

“Hoi Vivienne”, hoorden we hem nog net zeggen.

De rest van ons dronk zwijgend tot Maurice terugkwam. Hij zag lijkbleek.

“Ongelooflijk!” stotterde hij. “Hij… de aannemer… hij heeft het gewoon weer gesloopt. Met een bulldozer eroverheen. Het hele huisje — weg!”

Wij probeerden de hevig aangedane Maurice te kalmeren en merkten pas dat de bouwer weg was toen Ouwe Luuk naar ons toekwam en zei:

“Houd hem tegen. Als het nog kan.”

Hij bedoelde duidelijk niet Maurice.

John en ik en, ja, ook Maurice, stoven naar buiten op zoek naar de vreemdeling. We troffen hem twee straten verder. Hij sprak in een apparaat dat heel goed een telefoon kon zijn, maar dan niet een die naar de ons bekende wereld belde. Om hem heen materialiseerden langzaam en spookachtig grote constructies in de lucht: machines, gevaarlijk uitziende sloopwerktuigen.

We sleepten de man met de grote handen een steeg in en deden wat gedaan moest worden. Het was een langdurig, bloederig en walgelijk gebeuren; we waren niet gewapend en de grote man verzette zich uit alle macht. Ik weet niet of het ons gelukt zou zijn als Maurice er niet bij was: hij was ongebruikelijk bloeddorstig die avond.

Zoals ik in het begin al zei: het was gruwelijk maar het moest gebeuren. Mochten nieuwe naburige universa met minder vakmanschap dan gebruikelijk worden gebouwd — dat is dan onze schuld. Het spijt ons.

Intussen denk ik wel dat Iemand flink bij ons in het krijt staat.

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén