Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

16. Meesterdief

De kroeg van Ouwe Luuk bezat ook een terras, dat zelden gebruikt werd. Vanavond echter waren tafels en stoelen buiten opgesteld, zodat de gasten van het aangekondigde nachtelijk schouwspel konden genieten. De hemel was helder, gelukkig, en de volle maan scheen zo fel dat het volstrekt ontbreken van verlichting niet stoorde.

We waren met zijn drieën, behalve ik ook Johan en Selene, zijn Griekse vrouw. Het gebeurde niet vaak dat een van ons zijn partner meebracht, maar naar ik hoorde wilde Selene er op deze avond per se bij zijn. Het was druk; alle tafels waren bezet. Er meldden zich nog steeds nieuwe gasten, en Luuk zette meer stoelen bij de tafels om hen een plaats te kunnen bieden. Al snel hadden we een nieuwe tafelgenoot, een kleine donkerharige man in een lange beige regenjas die zich voorstelde als de Grote Achan. Wij schudden hem de hand en zeiden onze namen. Toen Selene zich voorstelde hield hij haar hand wat langer vast, en zei bedachtzaam:

“Lewanna! Wat een mooi toeval!”

Selene bloosde en maakte de indruk opgelucht te zijn dat ze haar hand weer terugkreeg.

We namen weer plaats en keuvelden over koetjes en kalfjes en de verwachte gebeurtenis van vanavond, tot Johan de vreemdeling naar zijn naam vroeg.

“De Grote Achan? Als ik vragen mag, waarom dat ‘Grote’? Het klinkt als de artiestennaam van een goochelaar.”

De kleine man grinnikte.

“Nee, ik ben geen goochelaar. Een goochelaar laat dingen verdwijnen en weer verschijnen, met trucs. Ik gebruik geen trucs.”

“U laat dingen verdwijnen en verschijnen zonder trucs? U bent magiër?” vroeg ik.

“Nee,” antwoordde Achan. “Ik laat dingen slechts verdwijnen. Ik ben een meesterdief — de beste ooit. Ik steel dingen voor de ogen van de mensen, ik druk spullen achterover die te groot zijn om te stelen, ik ontferm me over schatten die beter beveiligd worden dan Io werd bewaakt door Panoptes. U begrijpt wat ik bedoel, Lewanna.”

Dit laatste was tegen Selene, die duidelijk gevleid was met de refentie aan de cultuur van haar voorouders.

Johan en ik keken elkaar aan. Dit beloofde een mooi voorprogramma te worden voor de hoofdact van vanavond, als we deze man op de praatstoel konden krijgen. We wenkten Astrid om nog een rondje, en Johan daagde Achan uit:

“Vertel eens, kleine man, wat hebt u dan zoal gestolen?”

“Oh,” sprak Achan gemakkelijk, “laat ik het zo zeggen: de Britse Kroonjuwelen zoals ze tentoongesteld worden zijn namaak. Ik bezit de echte. Evenzo zullen de presidenten van de Verenigde Staten en Rusland raar opkijken als ze ooit het koffertje met de lanceercodes van de atoomraketten zouden openen — de hunne bevatten een stapel pikante tijdschriften; de echte koffers zijn in mijn bezit.”

Hij knipoogde naar Selene.

Dit waren mooie beweringen. Oncontroleerbaar en van A tot Z gelogen, natuurlijk, maar o zo onderhoudend.

“Aan uw naam en verschijning te oordelen bent u telg van het Joodse volk,” merkte Johan op. “Is op u het achtste gebod niet van toepassing?”

“Maar natuurlijk!” riep Achan uit. “In principe geldt ‘Gij zult niet stelen’ ook voor mij, voor ons. Maar met zijn Uitverkoren Volk heeft God een paar nadere afspraken gemaakt en uitzonderingsclausules ingesteld. Geen van de betrokken partijen hangt die aan de grote klok. De clausule die hier van toepassing is, is een geheim, dertiende gebod: ‘Gij zult Mij niet vervelen’. Het stelt dat het overtreden van de overige geboden toegestaan is, mits het op amusante wijze gebeurt.

Hebt u zich ooit afgevraagd waarom ons volk uitverkoren is?

Om God te amuseren.”

We hielden een korte pauze om een nieuwe ronde te laten komen. Selene verdween even de kroeg in. De kleine man boog zich over naar Johan en zei:

“Een bijzondere vrouw hebt u. Wees er zuinig op.”

Johan knikte. “Ze is het licht in de nacht van mijn leven. Ik koester haar, maar scherm haar daarom misschien teveel af. Ze klaagt dat ze nooit mensen spreekt, en stond erop vanavond mee te komen. Laatst had ze het erover dat het leven met mij saai werd. Onzin natuurlijk.”

Nadat er was bijgeschonken en Selene terug was vervolgde Achan:

“Daarnaast bezit ik de lamp van Aladdin (ja, ik weet dat iemand jullie vertelde die gestolen te hebben; ik heb hem teruggehaald). Ik heb me ontfermd over een aantekenboekje van Pierre de Fermat, met daarin onder meer het bewijs van zijn laatste stelling. Kort heb ik me mogen verheugen in het bezit van het wrak van de Titanic, maar dat heb ik moeten terugleggen toen er uitgebreid naar gezocht werd, om geen achterdocht te wekken. Zo heb ik uiteindelijk ook besloten om de Dode Zee-rollen terug te leggen.”

“Dat is toch heel mooi van u,” flapte Selene eruit, en kleurde weer.

Achan glimlachte naar haar en nam tevreden een slok van zijn wijn.

“Maar de Ark des Verbonds houd ik.”

“U refereert aan verdwijningen die toch al enige tijd geleden hebben plaatsgevonden,” merkte Johan op. “Weet u zeker dat u daar zelf bij betrokken was?”

“Zeker!” antwoordde Achan, “Waarom twijfelt u aan mijn woord? Ik ben een dief, geen leugenaar! — Ach nee, ik begrijp het nu. Laat ik zeggen dat ik zo nu en dan ook wat tijd steel.”

Over tijd gesproken: het zou niet lang meer duren of het hemelse schouwspel zou beginnen. Misschien was het tijd om het onderwerp te laten rusten, om de betovering niet te verbreken.

Johan wilde echter meer en zei:

“Dit zijn allemaal mooie beweringen, maar kunt u ook bewijzen wat u kunt?”

Selene keek hem verstoord aan.

“Maar natuurlijk!” riep de kleine man uit. “Ik heb daarnet al dingen weggenomen. Niet iets groots, natuurlijk, nog niet. Maar…”

Hij overhandigde Johan een ring.

“Mijn trouwring!” riep Johan uit. “Hoe hebt u… Ik krijg hem zelf nauwelijks van mijn vinger.”

De kleine man glimlachte sluw en zei:

“Wees er voortaan voorzichtiger mee. Het is te belangrijk om kwijt te raken.”

Mij overhandigde hij het kleine folie-pakje dat ik altijd in mijn portemonnee bewaar, voor het geval dat.

“Ik zou als ik u was de houdbaarheidsdatum controleren,” zei hij met een knipoog.

Met een rood hoofd borg ik het weer op. Selene probeerde haar geamuseerdheid te verbergen, maar Johan bulderde van het lachen.

“Ah, van u heb ik niets willen wegnemen,” sprak Achan tegen Selene. “Ik wil u iets geven, Lewenna.”

Hij haalde een pakje uit zijn zak een collier met kleine doorzichtige steentjes en hing dat om Selene’s nek.

“Orthoklaas, ook wel maansteen genoemd”, zei hij. “Maar dan van de maan zelf. De NASA heeft ze nooit gemist. Bij u zijn ze meer op hun plaats.”

Verguld betastte ze de halsketting.

“Soms, zoals bij deze diefstal, heb ik hulp van een medeplichtige. Ik wil niet opscheppen en zeggen dat ik alles alleen kan” zei de kleine man.

Opgewonden kreten om ons heen herinnerden ons eraan dat we op deze avond buiten zaten om de maansverduistering te zien. We keken omhoog en zagen dat al een klein donker hapje uit de maan was genomen. Ademloos zagen we toe hoe dit stukje langzaam maar zeker groter werd. De gesprekken om ons heen verstomden of werden op gedemptere toon gevoerd, en betroffen bijna alleen maar de verduistering zelf.

Enige tijd later — het zou nog maar een paar minuten duren voordat de verduistering totaal was — hoorde ik Achan iets mompelen. Hij deed het zacht genoeg dat het leek alsof hij het tegen zichzelf had. Het was ook luid genoeg dat hij zeker wist dat wij het konden horen.

“Verduisteren is slechts een ander woord voor stelen. De uitdaging, om de maan zelf tijdens haar verduistering te verduisteren!”

De maan dook helemaal de schaduw van de Aarde in. Nog enkele seconden scheen ze in een vage rode gloed aan de hemel – maar toen verdween ook dat. In het volslagen duister voelde ik iemand langs me heenlopen terwijl er verbaasde stemmen opstegen. Waarom was de maan geheel niet meer te zien?

Gespannen wachtten we af tot de maan weer zou verschijnen, uit de aardschaduw zou opduiken. En we wachtten. Gelooft u mij — we wachtten wat een eeuwigheid leek, en we begonnen te wanhopen of we het zilveren maanlicht ooit nog zouden zien.

Mijn ogen begonnen aan het duister te wennen en in het vage licht van de sterren en de ver verwijderde straatlantaarns meende ik zo’n honderd meter verderop een kleine man te zien, met een metgezel, die zich van het terrein verwijderde. Hij liep scheef, helde over naar zijn metgezel, alsof hij een zware last in een van zijn jaszakken droeg.

Johan schraapte zijn keel.

“Het… het is toch niet mogelijk dat hij de maan gestolen heeft?” vroeg hij.

Ik wilde net zeggen dat ik hetzelfde begon te denken toen het eerste splintertje maanlicht weer verscheen. Terwijl om ons heen mensen opgelucht begonnen te babbelen werd het verlichte deel van de maan langzaam groter en groter.

Johan grinnikte.

“Ik was er bijna ingetuind, in de grootspraak van onze kleine dief,” zei hij. “Ik zie dat hij weg is.”

“Hij niet alleen, Johan,” zei ik, op de tweede lege stoel wijzend.

“Waar is Selene?”

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén