Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

10. Het Spel

Het was nogal saai, vanmiddag. De standaard, saaie, druilerige zondagmiddag. En ik verveelde me de pleuris.

Gelukkig heb ik vrienden — vrienden die zich op zo’n zondagmiddag ook te pletter vervelen. Een van hen belde me.

“Hee, Isra! Zin in een spelletje?” vroeg Steven.

Voor jullie vreemde ideeën krijgen (jullie kennende) het gaat hier gewoon om een bordspel. Steven en ik maken deel uit van een klein clubje dat regelmatig RPG’s speelt. Als je niet weet wat dat zijn Google je maar even. Je speelt een rol in het spel. Er komen meestal trollen, draken en tovenaars aan te pas, en zo’n spel kan lang duren.

We troffen elkaar bij ouwe Luuk. Luuk is altijd open (en als ik altijd zeg, bedoel ik altijd), maar zondagmiddag is het er meestal rustig. We waren met z’n drieën vanmiddag. Ik zal ze je even voorstellen.

Steven, die mij belde, is een lange, forse, en buitengewoon intelligent persoon. Hij is onderzoeker, iets met quantumfysica en kosmologie. Ik vergeet steeds welke van de twee, maar volgens hem zijn die twee tegenwoordig toch hetzelfde.

Leo is een Belgische pater die op een of andere manier bij de universiteit in ons stadje verzeild is geraakt, en klassieke talen doceert.

Ons clubje kende een vierde lid — Valerie — die echter al een paar jaar het land uit was.

Toen ik binnenkwam hadden Steven en Leo het bord al opgezet. We waren al aan het spelen voordat Astrid onze eerste bestelling opnam. (Had ik al gezegd dat ouwe Luuk altijd open is? Astrid is er ook altijd, wanneer we ook komen. Ik moet eens navragen hoe dat zit.)

Het spel bewoog zich door de nogal trage openingsfase. Toch trok het de aandacht van een vreemdeling die na ons was binnengekomen. Hij stond aan de bar en keek een tijdje; toen pakte hij zijn glas en kwam naar ons toe.

“Hebt u bezwaar als ik kom kijken?” vroeg hij, “dit spel intrigeert mij.”

Uiteraard hadden we geen bezwaar. De man pakte een vrije stoel en schoof aan. De vreemdeling had een voornaam, maar een tikje ouderwets voorkomen. Hij droeg een klein brilletje en een ringbaardje. Dat was zwart, net als zijn haar, zoals we zagen toen hij zijn hoed afzette. Een lichtgetinte huid, wat hem een mediterraan uiterlijk gaf. Hij droeg een zware, zwarte cape in plaats van een jas. Toen hij die over de stoel hing zag ik dat hij met rood fluweel gevoerd was.

Zijn naam heeft hij niet genoemd.

We speelden verder, en gaven af en toe uitleg aan de geïnteresseerde vreemdeling. Tijdens een beurt waar Steven veel bedenktijd nodig had staarde Leo door het beregende raam naar het sombere weer buiten, en zei:

“Ik denk dat God de wereld geschapen heeft op zo’n regenachtige zondagmiddag.”

De vreemdeling, die Leo’s contemplatieve buien niet kende, keek hem verbaasd aan. Daardoor aangemoedigd vervolgde Leo:

“Stel je voor: je bent het opperwezen, en je hebt de hele eindeloze grauwe eeuwigheid voor je. En je bent alleen. Er is niets en er gebeurt niets. Denk je eens in: een druilerige zondagmiddag die eeuwig duurt. En alle kroegen zijn dicht.”

We lieten deze gedachte even op ons inwerken, en huiverden.

“Dus wat doet je, als je je verveelt en almachtig bent? Je schept een universum om iets omhanden te hebben, om naar te kijken.”

Leo leek zelf een beetje onrustig te worden van zijn gedachte. Ik neem aan dat hij niet in de Roomse orthodoxie paste.

Steven grinnkte. “Het universum is er vreemd genoeg voor, om als amusement te dienen,” zei hij. “Ik weet niet of we God de schuld moeten geven. Misschien is het heelal gebouwd door een zeer vergevorderde buitenaardse beschaving. Maar het is wel zeker dat het universum alle trekjes heeft van een kunstmatige constructie.”

Nu waren wij verbaasd. Steven heeft meestal niet zulke boude beweringen.

“Ik zal zeggen wat ik bedoel.”

Vervolgens weidde Steven uit over wat hij de fine-tuning van het heelal noemde. Naar ik van hem begreep is er een hele zwik natuurconstanten waarvan de waarde essentieel is voor het bestaan van het universum. Voor elk van die constanten geldt dat als ze een procent groter of kleiner waren geweest, er geen materie, sterren, leven mogelijk was. Al deze constanten hadden een nauwkeurig afgeregelde waarde: en niemand kon verklaren waarom. Als klap op de vuurpijl vertelde hij dat het theoretisch mogelijk was dat het hele universum een computersimulatie was, en dat er geen manier bestaat om dat aan te tonen of te ontkrachten — en dat het dus eigenlijk ook niet uitmaakte.

“Samenvattend: het lijkt er sterk op dat iemand dit heelal met opzet gebouwd en ingericht heeft. Er is een Maker, of het nou een god is of een technisch vergevorderde beschaving met tijd te veel.”

“Om er een eeuwigheid naar te kijken,” vulde ik aan.

“Geen eeuwigheid,” corrigeerde Steven me. “Nog enkele tientallen miljarden jaren, hooguit.”

“Dat klinkt logisch,” zei Leo, die het idee van een vergevorderde beschaving blijkbaar prettiger vond dan God, “anders gaat het weer vervelen.”

De vreemdeling kuchte. “Als ik me ermee mag bemoeien,” sprak hij beleefd, “ik vraag me af of u niet op het verkeerde spoor zit.”

Hiermee had hij natuurlijk onze volle aandacht.

“U spreekt over de Maker — laten we hem of hen maar even zo noemen, of het nu een God is of een scheppende beschaving — u spreekt over hem alsof hij in de kelder een modelspoorbaan heeft gebouwd en nu naar de treintjes zit te kijken.”

Het beeld had onze lachlust moeten opwekken, maar dat deed het niet. De man sprak alsof we iets ongepasts hadden gezegd.

“Maar kijkt u naar uzelf. Wat doet u om een regenachtige zondagmiddag door te komen?”

We keken naar het speelbord. “Een spel?” vroeg ik.

“Ja, waarom niet?” viel Steven in. “Veel interessanter dan te kijken hoe een treintje over de rails loopt, of hoe de atomen naar de natuurwetten dansen. Je hebt dan plannen die gedwarsboomd kunnen worden, en je moet inspelen op de plannen van de tegenspeler… Tegenspeler?”

Leo knikte. “Geen probleem. Twee individuen van de scheppende beschaving, of…” Leo aarzelde.

“We weten natuurlijk dat God zijn eigen Tegenstander geschapen heeft.”

We dachten hier even over na.

“Toch,” zei Steven, “kan ik niet goed zien welke strijd er dan geleverd wordt. Op de schaal van het universum zijn er gewoon niet twee elkaar tegenwerkende gebeurtenissen zichtbaar…”

De vreemdeling viel in. “Het speelbord hoeft niet groter te zijn dan de wereld. De rest is misschien gewoon decor. Maar —” Hij peinsde even. “Het hoeft natuurlijk niet een spel te zijn in die vorm. Misschien is het gewoon, ik noem maar iets, een weddenschap.”

“God wedt niet!” zei Leo verhit.

Steven grinnikte. “Hij dobbelt ook niet, volgens Einstein, en die heeft toch ongelijk gekregen.”

“Als God niet wedt,” sprak de vreemdeling, “hoe verklaart u dan het bijbelboek Job? In elk geval, ik heb niet gezegd dat het om God ging. We hebben nog steeds de mogelijkheid van een vergevorderde beschaving die het universum bouwde.”

De theologische scherpslijperij interesseerde me niet zo. Ik vroeg me wat anders af.

“Een weddenschap? Waar zou de weddenschap over moeten gaan dan?”

De vreemdeling haalde zijn schouders op. “Ik weet het niet,” zei hij, “het was niet mijn idee.”

Ik besefte later pas dat dit een leugen was.

Steven keek peinzend voor zich uit. Na een paar minuten zei hij aarzelend:

“Ik heb het er met collega’s wel eens over gehad. Over hoe vreemd, contra-intuïtief en ingewikkeld het universum in elkaar zit. En of het nu wel of niet begrijpelijk kan worden gemaakt, door en voor menselijke hersenen. Als ik, als fysicus, een spel of weddenschap zou moeten verzinnen rondom het heelal, zou dat het zijn. Één Maker verzint de natuurwetten, zo ingewikkeld mogelijk. De ander maakt de mens, zo slim mogelijk. En dan is de vraag: lukt het de mens om de natuurwetten te ontrafelen? Dit bepaalt de winnaar.”

Ik ben geen natuurkundige. Ik vond het nogal vergezocht.

“Interessante stelling,” zei de vreemdeling. “En stel dat het dit is; wie is volgens u dan aan het winnen?”

Steven glom. “We zijn er heel dicht bij, om alles te snappen. Het Standaardmodel is bijna waterdicht. Nu is heel recent het laatste ontbrekende puzzelstukje ontdekt — het Higgs boson.”

Leo trok misprijzend een wenkbrauw op. “Dat ook wel het God-deeltje genoemd wordt?”

Steven beaamde dat.

“Heel interessant!” zei de vreemdeling. “Maar heren, ik houd u van uw spel. Bovendien —” Hij haalde een zakhorloge tevoorschijn. “Bovendien is het hoogste tijd voor mij om te gaan. Ik groet u.”

We namen afscheid en keken hem na toen hij de deur uitliep. Steven en ik wilden verder spelen, maar er zat Leo duidelijk iets dwars. Hij staarde een tijd naar het bord en zei toen:

“Bij dit spel kruipen wij in de huid van een held of tovenaar, we zijn een pion in ons eigen spel. Zou het mogelijk zijn dat een van de Makers zich ook eens in zijn Spel laat zien? En zo ja, wat hebben we hem dan net verteld?

En belangrijker: wat gebeurt er met het bord en de pionnen als het Spel is afgelopen?”

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén