Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

9. Tekens

“U hield van verhalen, vertelde men mij.”

De nieuwkomer aan onze tafel had zich daar plompverloren neergezet zonder ons iets te vragen.

“Ik heb een verhaal voor u.”

Zijn voorstel klonk aantrekkelijk, al was de man dat zelf beslist niet. Zijn gezicht werd ontsierd door een litteken dat half verscholen ging onder een stoppelbaard. Lange, vette haren, in toom gehouden door een zweetband die ook het lage voorhoofd bedekte. Daaronder kleine, harde ogen. Een vaalbruine broek en een bijpassend colbert dat over een niet al te schoon overhemd stak. Het uiterlijk en de houding van de man schreeuwden “penoze”, zo erg dat het bijna een cliché was.

“En, uiteraard, als u uw verhaal vertelt zorgen wij voor het smeren van de keel?” informeerde Laurent.

“U begrijpt het”, grijnsde de man.

Het was een rustige avond, in de kroeg van ouwe Luuk. Er waren meer dan genoeg tafels geweest, als de man alleen had willen zitten. Aan de andere kant was dat altijd zo bij ouwe Luuk, hoe druk het ook was. Laurent wenkte Astrid, die de bestelling opnam. Ze keek met een beetje afkeer naar de nieuwkomer, alsof hij stonk. Ze had gelijk, realiseerde ik me. Er hing een vage geur van bederf om hem heen.

Nadat de drank gebracht en gekeurd was, en er lang genoeg was gewacht om de spanning te laten oplopen, stak de man van wal.

“Dit is een maat van me overkomen,” zei hij. “Het begon in een kroeg; eigenlijk net zo’n kroeg als deze hier.”

Normaal gesproken komt ouwe Luuk niet achter de bar vandaan. Nu echter stond hij opeens naast de man, zonder dat we hem zagen aankomen.

Níet zo’n kroeg als deze”, siste Luuk. “Het soort tenten waar jouw soort volk komt laat ik niet met de mijne vergelijken. Je weet dat ik nooit iemand de deur uitzet, Svlad, maar jij komt er dicht bij.”

Zo plotseling als Luuk er stond was hij weer weg, de man die blijkbaar Svlad heette gemelijk kijkend achterlatend. Het kostte ons een paar slokken om over de schrik heen te komen. Ouwe Luuk was gewoonlijk de beminnelijkheid zelve.

“Okee, niet zo’n kroeg als deze dan”, ging de man verder. “Het was ook in een andere stad, ander land, ver weg. Een plek waar de wand tussen deze en de andere wereld dunner is.

Mijn maat was nieuw daar, en zocht… aansluiting. Hij zocht mensen die hem een beetje wegwijs konden maken, hem op weg konden helpen.

Hij vroeg wat rond en kwam uiteindelijk terecht in die kroeg die niet op deze leek. En hij trof wat lui die hem konden helpen. Daar stonden wel wat verplichtingen tegenover, natuurlijk, maar niets buitensporigs. Hij zou snel genoeg weer zelfstandig aan de slag kunnen.”

“Ze namen hem mee de stad in en wezen hem op dingen. De steegjes, de nauwe doorgangen, de sluiproutes. De plekken waar de verlichting slecht was en je haast ongezien te werk kon gaan. De wijken waar men goed op elkaar lette, en de wijken waar iedereen vreemd voor elkaar was. De goed beveiligde plekken, de slecht beveiligde plekken, en van die laatste vooral die waar wat te halen viel.

En ze lieten hem zien waar je makkelijk de oever van de rivier kon bereiken als je iets groots en zwaars meezeulde.”

Svlad pauzeerde even. “Dat was het punt waar mijn vriend even twijfels kreeg. Zijn nieuwe kennissen waren misschien wel harder dan hij.”

“Om weer terug te komen bij de werkzaamheden waar hij vertrouwder mee was, vroeg hij ze naar de dieventekens. De bargoense tekens.”

Johan, die te weinig misdaadverhalen las, keek hem vragend aan.

“Symbolen, tekens, tekeningetjes die dieven naast of in deuren krassen om aan te geven wat daarachter gevonden kan worden. Ze kunnen aangeven welke buit er te verwachten valt, of er tegenstand zal zijn; of er bijvoorbeeld honden aanwezig zijn.”

“Ze namen mijn vriend mee naar een buitenwijk. Hier woonden mensen van allerlei slag, van allerlei richtingen. De buitenbeentjes van het volk van de stad zelf, maar ook Grieken en Egyptenaren. Roma, die zich daar Tsigani of Zigeuners noemden. Sefardische joden en Asjkenazim. Duitsers, zowel uit de bergen als uit het laagland. Een kleine groep Zimbabwanen. En een Belg.

De kennissen van mijn vriend toonden hem de tekens die in die wijk gevonden konden worden. Of er geld in huis was. Of dat al was gestolen. De aanwezigheid van een alarmsysteem (dat was bij een dure villa aan de rand van de wijk). De meeste tekens kwamen mijn vriend wel bekend voor, in vorm of betekenis. Ze leken op wat hij gewend was. Een was hem echter volslagen onbekend: een gestileerde paraplu, in de deurpost van een klein en vervallen huis.

‘Wat betekent deze?’ vroeg hij.

‘Dat de bewoner beschermd is’, was het antwoord van de kennissen, die de indruk maakten daar snel weer weg te willen zijn. ‘Wij kunnen hem niet aanraken.’

‘Beschermd?’ Mijn vriend was verbaasd. Het huis zag er niet uit of de bewoner zich beschermgeld kon veroorloven, of hooggeplaatst was.

‘Beschermd!’ bulderde een stem. Net toen ze bij het huis wegliepen was de deur opengegaan. De man in de deuropening zag er woest uit. Groot, dik, met een woeste baard en een woest-krullende haardos, beide grijs. Hij droeg iets wat er in het slechte licht uitzag als een pij, en dat later ook bleek te zijn.

‘En niet de bescherming van een van die boevenbaasjes of die corrupte politici’, ging de pij-man verder.

‘Mijn bescherming komt van boven en is ondoordringbaar voor hun soort. En jij, ventje,’ hij wees naar mijn vriend, ‘jij kunt ook wel wat bescherming gebruiken.'”

“Mijn vriend liet zich wegleiden door zijn nieuwe kennissen, die hem uitlegden dat de man een godsdienstwaanzinnige zonderling was. Die zonderling volgde hen echter, op enige afstand. Toen ze dachten de kluizenaar te hebben afgeschud en ze een nieuw teken bestudeerden, stond hij opeens weer naast hen.

‘Ah! Dieventekens!’ bulderde hij. Mijn vriend en companen krompen in elkaar van dit lawaai bij hun steelse bezigheden.

‘Niets mis met tekens op de deur’, ging de heremiet verder. ‘Zelfs de Heer gebruikte ze om te weten aan welke huizen hij moest voorbijgaan. Exodus 12. Maar het is jullie niet gegeven de huizen van anderen te mogen ingaan.’

‘Hou je mond, man’, zeiden de kennissen, maar hoewel ze ruige types leken staken ze geen vinger naar de gebedenman uit. Deze mannen droegen hoeden, trouwens. Hoeden die ze diep over de ogen getrokken hadden.”

Svlad viel stil. Er waren verscheide aansporingen en twee glazen nodig om hem te bewegen verder te gaan.

“Mijn vriend en zijn kennissen trokken verder, steeds op afstand gevolgd door de monnik die hen lastig viel met vermaningen en bijbelcitaten.

Bij een bepaald huis bleven ze staan, bestudeerden het teken, en vroegen mijn vriend: ‘Zin in een verzetje?’

‘Wat is dat voor symbool?’ vroeg hij.

‘Jonge vrouw alleen’, grijnsden de mannen.”

“Mijn vriend protesteerde, zei dat hij daar geen zin in had, maar liet zich uiteindelijk overhalen. Hij wilde ook niet alleen op straat blijven in deze onbekende stad, en zijn nieuwe kennissen waren redelijk intimiderend in hun argumentatie.

De deur werd met wat handige haakjes van het slot gedaan en geopend. Op het moment dat mijn vriend de drempel overstapte, stond de priester weer naast hem. ‘Je komt als een dief in de nacht, gelijk de dag van het oordeel des Heren’, zei deze. ‘1 Tessalonicenzen 5, Matteüs 24. Weet waar je aan begint, en wat je in de waagschaal stelt. Niet alleen de mensen en de Heer gebruiken tekens, weet je.’

Mijn vriend negeerde hem, en ging naar binnen.”

Er viel een pauze. Het gezicht van Svlad was bezweet. Zijn zweetband werd vochtig, en er tekenden zich wat vlekjes op af. Het leken bloedvlekjes, alsof hij een oude wond op zijn voorhoofd had die weer was gaan bloeden. De geur van bederf die om hem heen hing was sterker geworden. Ik schoof iets bij hem vandaan.

We drongen niet aan. Na een paar minuten ging hij verder.

“Ik wil niet ver— ik weet niet wat er daar binnen precies gebeurde. Het ging niet zoals gepland. Er was veel lawaai. Toen mijn vriend en zijn kennissen buiten kwamen zaten ze onder het bloed, en was het stil in huis. Mijn maat zag bleek, was geschokt. Zijn kennissen waren grappen aan het maken.

Buiten troffen ze de heilige man. Hij zag mijn vriend en schudde meewarig zijn hoofd.

‘Ook het Beest zette een teken’, zei hij. ‘Openbaringen 13 en 14. Heb je hun teken gezien, zoon? Draag je het al?’

Mijn vriend, toch al overstuur, onstak in razernij. Ik weet niet waar het mes vandaan kwam, maar enkele tellen later lag de profeet dood op straat, bloedend uit vele wonden.

Hij stond daar naar het dampende lijk te kijken — had ik al gezegd dat het een koude, vochtige nacht was? — en vroeg zich af in welke problemen hij nu zat.”

“Plots stonden zijn kennissen naast hem, tilden hem bij zijn ellebogen op, en droegen hem tussen zich in een steegje in. Een drukte hem met een ijzeren greep tegen de muur terwijl hij zei:

‘Goed werk, jochie.’

Mijn vriend probeerde zich los te worstelen. Vergeefs. De andere kwam voor hem staan, bracht zijn hoofd vlakbij dat van mijn vriend, en zei: ‘Nu hoor je er helemaal bij.’

Mijn maat rook heet ijzer. Waar hadden ze opeens heet ijzer vandaan gehaald?

‘Laten we je merken als een van ons, voor altijd.’

Met een wanhopig kopstoot probeerde mijn vriend tegenstand te bieden. Hij slaagde er slechts in de hoed van de man voor hem af te gooien. Op diens voorhoofd zag hij een vuurrood, kronkelend litteken, vlak voordat het brandijzer zijn eigen voorhoofd raakte.”

Svlad zweeg, en bleef zwijgen, tot we uiteindelijk begrepen dat er niet meer zou volgen. Hij dronk zijn glas leeg en vertrok, zonder nog iets te zeggen.

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén