Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

23. Waar Te Beginnen?

I

Een Ier, een rabbijn en een atheïst zaten in een kroeg en —

Nee, nee, niet zo! Dan lijkt het net een grap.
… Misschien
ís het wel een grap.

II

Een grap begint met een plaatsbepaling, net zoals een verhaal. Een verhaal heeft ook nog een tijdsbepaling. Personages worden opgevoerd naar behoefte. Onthoud dat laatste.

Een vrijdagavond bij Ouwe Luuk. Johan, Micheal en ik zaten aan onze stamtafel. Ons gezelschap werd aangevuld door een vriend van Micheal die een paar maanden in de stad was. In dit relaas zal ik hem ‘de rabbijn’ noemen – omdat hij dat was, en omdat hij mij verzocht zijn naam niet te vermelden. (“Waarom niet?” vroeg ik hem. “Ik ben een soort klokkenluider. Ik heb uit de school geklapt en moet uitkijken voor de baas”, was zijn antwoord.)

Het gesprek had die speciale vorm van pseudo-diepzinnigheid bereikt die je krijgt als je best wel slimme mensen met sterk verschillend wereldbeeld bij elkaar doet, en ze een uur in drank laat marineren.

“Feitelijk zijn er maar twee echte mysteries”, begon Micheal. “Hoe alles is ontstaan, en de vrouw. Om het eerste te ontraadselen heb ik het Creatorium opgericht en aan het tweede wordt ook gewerkt.” Zijn ogen dwaalden even af naar Astrid die drie tafels verder de bestelling aan het opnemen was.

De rabbijn grinnikte. “Ik denk dat als je het eerste hebt opgelost het tweede vanzelf volgt. Die mysteries zijn met elkaar verbonden, weet je?”

Het Creatorium was een nieuw onderzoeksinstituut in de stad. Het beoogde de vragen rondom de schepping in de breedste zin van het woord te beantwoorden. Hoewel het nauwe banden onderhield met de universiteit in de stad en andere wetenschappelijke organisaties waren de selectiecriteria om er te kunnen werken zeer hoog. Zo hoog dat oprichter Micheal, gesjeesd Iers priester annex genie, momenteel de enige onderzoeker was, afgezien van wat ambitieuze studenten die bij hem stage liepen.

“Ja, in de zin dat de vrouw de bron is van alle leven zijn ze met elkaar verbonden. Eva is ernaar vernoemd. Maar ik zie niet hoe dat de twee raadselen verbindt.”

“Toch ben je al warm”, antwoordde de rabbijn. “Ik vertel het een andere keer.”

Johan mengde zich in het gesprek. “Hoe alles is ontstaan hebben we in de natuurkunde al op een haar na uitgeplozen. Vanaf de oerknal tot aan het huidige universum. We begrijpen zo’n beetje alles van het begin.”

“Dat is niet waar”, weersprak de rabbijn hem. “De natuurkunde zegt niets over het begin. Het beschrijft de oerknal vanaf een fractie van een seconde na het begin, maar het begin zelf wordt buiten beschouwing gelaten. De evolutie van het heelal vanuit een singulariteit wordt beschreven middels natuurwetten, maar de natuurkunde zwijgt als het erom gaat waar die singulariteit en die natuurwetten vandaan komen.”

“We komen toch een heel eind”, bromde Johan. “En iets beters hebben we niet.”

“Dat zou ik niet willen zeggen. Het is beschreven hoe Hij-die-is alles heeft geschapen.” De rabbijn had een vilein lachje. Hij was er duidelijk op uit om Johan uit zijn tent te lokken. Dat lukte.

“Ach wat!” stoof Johan op. “Alsof een scheppende God alles verklaart! Je verschuift het probleem alleen maar, want waar komt die God dan vandaan?”

“Ah! Maar wat dat betreft staan we dus quitte. De natuurkunde postuleert een singulariteit en natuurwetten die er al zijn en niet verklaard worden. Ik postuleer een God die er al is en die niet verklaard wordt. Heb jij een goede reden om het een boven het ander te verkiezen? Is er een verschil?”

Ik schrijf hier op wat deze intelligente mensen zeiden. Ik ben niet op de hoogte van de laatste ontwikkelingen in de kosmologie noch van de grondbeginselen van de theologie, dus ik kon het allemaal niet zo volgen. Soms denk ik wel eens dat ik niet bijster intelligent ben.

“Wat zou ik graag een tijdmachine hebben om terug te reizen naar het allereerste begin en te zien hoe alles is ontstaan,” zei Micheal, “maar er is mij expliciet verboden er een te bouwen. Gelukkig weet ik iets wat bijna net zo goed is.”

Hij gebaarde richting de bar voor een nieuw rondje. Het was Ouwe Luuk zelf die het kwam brengen.

“Hoe lang werkt Astrid hier eigenlijk al?” informeerde Micheal bij hem. “Heb je wel eens een andere hulp gehad?”

“Nee, ze is de enige”, bromde Luuk. “Ze werkte hier al toen ik de zaak overnam.”

Astrid werkte bij Luuk, maar niet voor Luuk. Astrid deed wat zij zelf wilde en nam geen opdrachten aan. Het was ondenkbaar dat zij ooit onder iemand zou werken. Of zou liggen. We waren allemaal op de hoogte van Micheals fascinatie voor haar, maar wisten dat hij kansloos was.

“Kijk,” vervolgde Micheal toen de kelen weer gesmeerd waren, “afgezien van op de allerkleinste schaal is het universum deterministisch. Als je voldoende informatie hebt over de huidige toestand – de plek en beweging van, zeg, alle atomen – kun je een simulatie maken van het heelal. Je kunt dan zien hoe het zich verder ontwikkelt. Wat ik wil is die simulatie achteruit laten lopen, vorige situaties terugrekenen aan de hand van de natuurwetten. Zo reconstrueer je een vorige moment van het heelal. Die zal op subatomair niveau niet honderd procent accuraat zijn wegens quantum en zo, maar wel op elke grotere schaal en alleen daarin ben ik geïnteresseerd. Als ik de ontwikkeling van het heelal in die simulatie voldoende ver achteruit laat lopen kom ik aan bij het begin en zal ik weten hoe het heelal ontstaan is.”

“Klopt, in principe”, gaf Johan toe. “Heb je echter enig idee hoe groot de computer moet zijn om dat te doen, en hoe lang dat duurt?”

“Minstens zo groot als dit universum zelf. En langer dan dit universum heeft bestaan.”

“Dus die kun je niet bouwen. Afgezien van alle andere praktische bezwaren heb je gewoon het materiaal en de ruimte niet. Of de tijd.”

“Ik kan hem wel bouwen, alleen niet in dit heelal zelf. Ik construeer een nieuw universum, speciaal als computer voor het simuleren van deze. Met zijn eigen tijd.” Micheal klonk zelfverzekerd.

“Is dat niet wat lastig?” vroeg Johan met slechts een zweem van ironie.

“Bij het Creatorium doen we wel moeilijkere dingen.”

De laatste ronde bier zorgde ervoor dat het gesprek niet langer op dit hoge niveau kon worden voortgezet. We schakelden over op voetbal. Ik begrijp ook niets van voetbal.

III

Een aantal weken lang werd mijn aandacht opgeëist door persoonlijke zaken en bezocht ik de vrijdagavond bij Ouwe Luuk niet. (Voor wie het weten wil: hoewel we veel gemeenschappelijk hadden werd het uiteindelijk toch niets. Of misschien juist daardoor.)

IV

“Als het niet onmogelijk was zou ik heel nieuwsgierig zijn naar wat Micheals reconstructie ons gaat leren”, zei Thomas.

“Och, dat weet ik al”, bromde Johan. “De oerknal en zulks”.

De rabbijn opperde: “Of de Hof van Eden.”

“Geloof je dat verhaal letterlijk?” vroeg ik.

“Ja”, antwoordde de rabbijn. “Het is geschreven, dus het is letterlijk waar. Tegelijk is het natuurlijk een metafoor voor het volwassen worden van de mens. (De Mens als soort, niet de individuele mens.) En natuurlijk zijn de oerknal en de evolutie net zo waar. Wie zegt dat er maar één waarheid is? Waarom zouden twee verschillende dingen niet tegelijk waar kunnen zijn? Wat een benauwende gedachte!”

“Ook als die twee waarheden elkaar logisch uitsluiten?”

“Juist dan! Soms moet de logica maar wat inschikken om de waarheid de ruimte te geven.”

We zaten hier een tijdje op te broeden terwijl we ons bier opdronken.

“Ik zal een voorbeeld geven binnen mijn eigen kennisgebied,” vervolgde de rabbijn, “dat aansluit bij Micheals zoektocht naar het Begin. Jullie weten waarschijnlijk wel dat Genesis het scheppingsverhaal tweemaal vertelt. Traditioneel wordt de tweede vertelling gezien als een uitweiding op de eerste. Dat is goed te verdedigen, op de schepping van de vrouw na. In de eerste vertelling wordt ze net als Adam geschapen uit stof, de tweede keer uit een rib van Adam. Die versies sluiten elkaar uit, tenzij je accepteert dat de vrouw tweemaal geschapen is. Wat natuurlijk wel haar onbegrijpelijkheid verklaart. Beide vertellingen zijn natuurlijk waar: twee tegenstrijdige waarheden.”

“Eva is tweemaal geschapen?” vroeg Thomas.

“De eerste vrouw heette Lilith, volgens de de traditie. Geschapen uit hetzelfde materiaal als Adam zelf, en niet aan hem ondergeschikt. Dat leidde tot conflicten — Adam was nogal ouderwets in zijn opvattingen — en hun breuk. Daarna is Eva uit Adam gemaakt, en dus onderhorig aan hem. Dat is tenminste hoe het in bepaalde kringen graag uitgelegd wordt.”

“Wat gebeurde er met Lilith dan?”

“Ze was geen deelgenoot van de zondeval en deelde dus ook niet in de vervloeking van dood en voortplanting. Daarom zou ze nog ergens moeten zijn, in de wereld. Onsterfelijk en onafhankelijk.”

Ouwe Luuk bracht de volgende ronde.

“Hoe oud is jouw kroeg eigenlijk?” vroeg Thomas.

“Oud”, bromde Luuk. “Zo’n zesduizend jaar denk ik, maar ik kan er een paar maanden naast zitten.”

V

Thomas was een aantal weken de stad uit, voor zaken. Johan was naar een wetenschappelijk congres, twee weken ergens in Amerika. Ik was een tijdje afgeleid door, eh, nieuwe persoonlijke zaken.

VI

“Kijk”, zei Micheal, en toonde ons een kristallen bol. Het was drie weken geleden sinds hij voor het laatst de vrijdagavond bij Luuk doorbracht.

“Een kristallen bol?” vroeg ik dommig.

“Nee. Kijk goed.”

We keken goed. De bol was zo’n twintig centimeter in doorsnee en bijna volmaakt zwart, maar hij reflecteerde het licht en spiegelde zijn omgeving, waardoor hij niet donker leek. Ook was hij bijna volmaakt doorschijnend, wat niet zou moeten kunnen voor een zwarte bol.

“Kijk goed”, herhaalde Micheal. “Kijk erin.”

We keken erin. Na een paar tellen begonnen onze ogen te wennen aan het duister in de bol, en zagen we dat hij niet volledig donker was. Her en der verspreid door de bol zweefden slierten stof die een heel vaag licht leken te verspreiden. Micheal haalde een grote loep uit zijn tas en liet ons er een voor een doorheen kijken.

“Superclusters… Clusters… Sterrenstelsels…” zuchtte Johan. “Je hebt het hem gelapt, Micheal!”

“Ja”, glunderde Micheal. “Het is gelukt. Een volledig universum, ontstaan in het laboratorium. Dit is de grootste wetenschappelijke doorbraak sinds… sinds… de Schepping. Het is zelf een Schepping.”
“Hoe kan hij zo klein zijn?” vroeg Thomas.

“Hij is niet klein”, antwoordde Micheal. “Deze is ongeveer twee miljard lichtjaren in doorsnede. Hij is niet in ons heelal, dus die afmetingen hebben hier geen betekenis. Ik kan hem zo groot of klein laten lijken als ik wil. Kijk…”

Met enkele kunstgrepen die wij niet konden volgen liet Micheal de universumbol krimpen tot de grootte van een speldenknop. “En kijk…” Nu zwol de bol op tot hij enkele tientallen meters in doorsnee was en hij ons, onze tafel, en heel Ouwe Luuks kroeg omvatte. Het was er nog steeds donker binnen en de stofslierten waren amper helderder. Het gevoel met de stamtafel in de ruimte te zweven was overweldigend.

“De grootte zoals we die hier zien is een illusie”, ging Micheal verder terwijl hij de bol weer liet krimpen tot zijn oorspronkelijke grootte.

“En hiermee ga je naar het ontstaan van ons heelal terugrekenen?” vroeg ik.

“Niet met deze. Dit is een proefmodel. Om ons universum na te kunnen rekenen is hij veel te klein. Ik moet er een maken die nog enkele keren groter is dan het onze om dat te kunnen doen.”

Ik vroeg: “Wat doe je dan met deze?”

“Och… In deze is vast wel een planeetje te vinden met mooi weer en mooie stranden. Ik ben wel aan een tijdje vakantie toe”, zei Micheal met een knipoog. “Zin om mee te gaan?” vroeg hij aan Astrid die net de volgende bestelling kwam brengen. Astrid negeerde hem.

VII

Drie dagen later belde de rabbijn me met de mededeling dat hij een bok had geregeld, en of ik hem wilde komen ophalen aangezien ik een busje had. Ik liet hem dit drie keer herhalen en geen enkele keer daarvan leek het een zinnige opmerking. Ik gaf het dus op en reed naar hem toe.

Hij had inderdaad een bok. Of misschien was het een geit. Ik heb daar geen verstand van. We laadden het beest achterin het busje en reden weg.

“Waarheen?” vroeg ik.

“Naar het Creatorium”, instrueerde de rabbijn.

Daar kwamen we een half uur later aan. Het Creatorium was een oud gebouw, oorspronkelijk een pakhuis. Het stond aan de rand van de stad, dicht bij een verdeelstation van het elektriciteitsbedrijf. Een niet onaanzienlijk deel van de kabels daarvan liepen er rechtstreeks naartoe.

“Het maken van dingen kost veel energie”, had Micheal eens verteld, “maar het merendeel van die kabels is om te zorgen dat we het gemaakte ook weer heel snel kunnen vernietigen, mocht dat nodig zijn. Sommige mislukkingen kun je niet laten bestaan. Sommige successen trouwens ook niet.”

De receptioniste trok een wenkbrauw op bij het zien van Isaac (zo heette de bok), maar zei er niets over. Als je werkt voor Micheal leer je om niet veel dingen vreemd te vinden. Ze wees ons de weg naar het laboratorium waar Micheal op dat moment aan het werk was. De rabbijn hield Isaac aan een touw, maar ze volgde gewillig genoeg.

Micheal begroette ons vriendelijk.

“En ik ga niets vragen over de geit,” zei hij tegen de rabbijn, “want ik weet zeker dat je het straks toch wel uitlegt.”

We kregen een rondleiding langs de apparatuur en de experimenten. Er was hypermodern rekentuig, zowel klassieke als quantumcomputers. (“Ik lig ongeveer twee decennia voor op IBM”, vertrouwde Micheal ons toe. “Dit is een vier-bits quantumcomputer. Aangezien ieder quantumbit heel veel berekeningen tegelijk kan uitvoeren, heb ik ze geprogrammeerd om elk heel veel quantumbits te simuleren, die op hun beurt ook veel bits simuleren. En zo voort. Effectief heb ik nu een computer van een paar miljoen quantumbits.”) Er waren vacuumkamers en zuurkasten. Verspreid door de ruimte stonden palen met bovenop koperen bollen, en daartussen schoten voortdurend knetterende bliksemstralen over. (“Die staan er eigenlijk alleen voor de sfeer.”) Er stonden grote vaten met grondstoffen: kalk en koper en ijzer, zilver en platinum (dit waren kleine vaatjes), botten, verschillende soorten klei, een soort rookloos vuur, en, om de een of andere reden, soep. Erwtensoep. In de hoek stond een enorme kooi gemaakt van dikke ijzeren tralies. (“Ik hoop dat we die nooit hoeven gebruiken.”)

Uiteindelijk kwamen we bij een groot en onbegrijpelijk apparaat, waar Micheal een onbegrijpelijke uitleg bij gaf. Dit was waar hij probeerde een nieuw universum te bouwen, louter en alleen om de computer te kunnen herbergen die hij wilde gebruiken om het ontstaan van het onze te reconstrueren.

Toen knielde de rabbijn naast de bok Isaac, legde zijn handen op zijn kop, en begon luid te reciteren in het Hebreeuws. Ik begrijp geen Hebreeuws. Micheal en ik keken toe in verbazing. Na ongeveer een minuut was de rabbijn klaar, stond op en veegde zijn handen af aan zijn kleding. Micheal trok een wenkbrauw op.

“Hoogmoed, ijdelheid: de eerste hoofdzonde”, zei de rabbijn. “Jouw zonde. Jij matigt je aan om de Schepper naar de kroon te steken, door de Schepping nog eens dunnetjes over te doen. Je bent echter mijn vriend en ik wil je niet in het verderf gestort zien worden. Daarom heb ik deze zondebok meegebracht. Ik heb jouw zonden op hem overgedragen. Kom, we gaan.”

Dat laatste was tegen mij. De rabbijn liep al naar de uitgang met Isaac trouwhartig achter hem aan. Ik keek even hulpeloos naar Micheal, die er nogal perplex uitzag, en ging hem achterna. We laadden Isaac weer in mijn busje en ik bracht hem en de rabbijn terug naar zijn huis.

“En nu?” vroeg ik.

“Je kent toch hopelijk de procedure van de zondebok? Never mind. Je kunt nu beter gaan.”

Ik ging. Isaac bleef achter bij de rabbijn, en keek nu duidelijk ongerust.

Een uur later stuurde de rabbijn ons een uitnodiging voor een koosjere barbecue die avond. Ik begrijp niets van rabbijnen.

VIII

Twee maanden lang zagen we Micheal niet op onze vrijdagavond bij Ouwe Luuk. Toen was hij er weer. Hij had een laptop meegenomen.

“Het is af, jongens. Vanavond zullen we weten hoe Het Allemaal Begon.”

Thomas vroeg: “Je simulatieuniversum zit in die laptop?”

“Nee. Die laptop verbindt met de simulatiecomputer in dat universum zodat ik die kan bedienen en de resultaten kan zien. Het universum heb ik thuis gelaten omdat het er toch niet toe doet waar hij is omdat hij in zekere zin niet in ons heelal bestaat.

Kijk…”

Micheal klapte de laptop open en startte een programma.

“Ik verbind nu met de simulatie. Het programma is een controlepaneel dat een tijdlijn toont waarin ik een tijdstip kan kiezen om te bestuderen. Hee, dat is gek…”

We keken mee naar wat Micheal verbaasde. Het controlepaneel toonde een horizontale dikke witte lijn — de tijdlijn. De lijn leek wat onscherp. Als je heel goed keek, bleek het niet een enkele lijn te zijn. Hij splitse en vertakte zich, waarna de splitsingen en vertakkingen zich iets verderop weer samenvoegden.

“Alternatieve realiteiten?” opperde Johan.

“Onmogelijk”, protesteerde Micheal. “Dit is een reconstructie van de feitelijke tijdlijn van ons heelal. Misschien onnauwkeurigheden. Of quantumfluctuaties.”

“Of verschillende geschiedenissen die allemaal waar zijn”, stookte de rabbijn. “Jouw simulatie weet misschien meer dan jij.”

“Maakt niet uit,” zuchtte Micheal. “Ik los dat later wel een keer op. Dit is goed genoeg voor deze eerste poging; de afwijkingen kunnen niet groot zijn. Kijk; ik zoom nu in op het begin…”

Micheal deed wat in het programma waarna het heel sterk inzoomde op het linker beginpunt van de lijn. Beginpunt? De lijn was aan het linker uiteinde gevorkt, zodat er twee beginpunten waren.

De rabbijn lachte. “Welk begin had je precies willen zien?”

Er volgde bier en een verhitte discussie over wat dit betekende, of het iets betekende, en of we wel verder moesten kijken naar een simulatie die duidelijk niet kon kloppen.

“Natuurlijk wel!” bulderde de rabbijn. “Niet willen kijken omdat het niet is wat je verwacht? Wat ben je dan voor wetenschapper?”

Het eerste begin dat we bekeken was een teleurstelling. Eerst was er niets te zien, toen heel veel licht, en daarna het lege duister dat we al zo goed kennen. Alleen Johan was enthousiast.

“Zie je? De oerknal. Net zoals ik zei. Waar blijf je nu met je Genesis?”

“Wacht tot we de andere gezien hebben”, antwoordde de rabbijn kalm.

Instellen op het tweede beginpunt bleek lastig. Telkens als Micheal met de muis in de buurt kwam werd de beweging ervan haperend.

“Alsof iemand niet wil dat we het zien”, mopperde hij.

Uiteindelijk lukte het hem om het begin aan te klikken – of althans een punt dicht in de buurt van dat begin.

We zagen een Tuin, een man en een vrouw, een boom en een slang.

“Let op”, zei de rabbijn. “Hier zien we de feitelijke schepping van de mens.”

“Hè?” zei Johan, “Ze lopen hier toch al een hele tijd rond?”

“Als vee”, antwoordde de rabbijn. “Als dociel, initiatiefloos vee. Pas hier doet de mens iets uit eigen beweging, uit ongehoorzaamheid. Pas hier wordt hij echt mens.”

We keken in stilte hoe het drama zich ontrolde, vanaf de appel tot en met de verbanning uit de Hof. Hier zette Micheal het beeld stil, met een verslagen Adam en Eva prominent in beeld.

“Toch typisch weer”, mijmerde de rabbijn, “hoe er nooit een flikker gebeurde tot de vrouw de man een schop onder zijn kont gaf.”

We waren even stil. Johan zag bleek. De rabbijn zei met een gemene glimlach op de lippen:

“Twee waarheden. En merk op hoe lijnen die deze twee versies van het begin weergeven iets verderop samenkomen in de gemeenschappelijke geschiedenis.”

Thomas gebaarde naar Astrid, die achter de toog stond, voor nog een ronde.

De rabbijn boog zich voorover om nog eens goed naar de tijdsinstelling op het controlepaneel te kijken.

“Zou je willen proberen om iets verder terug te gaan, naar dit punt?” Hij wees Micheal een plek aan op de lijn. “Naar mijn schatting zou dat de Zesde Dag moeten zijn.”

Gehoorzaam morrelde Micheal aan de knoppen. Het beeld op het scherm spoelde terug in een waas, te snel om iets zinvols te kunnen zien. Toen het stil hield zagen we weer de Tuin, in essentie onveranderd. Er waren twee mensen, een man en een vrouw, helaas te ver weg om hun gezichten te zien. Hun lichaamstaal maakte echter duidelijk dat ze ruzie hadden. Ze gebaarden heftig en stampten met hun voeten. En toen sloeg de man de vrouw.
Ze viel. Even bleef ze liggen, verbijsterd door wat er net gebeurd was. Toen krabbelde ze overeind, draaide de man de rug toe, en liep van hem weg zonder nog een woord te spreken. Ze beende in onze richting; naar de “camera”. Toen ze voldoende dichtbij gekomen was dat we haar gezicht konden zien zette Micheal het beeld stil.

“Dat is Eva niet”, verwoordde Thomas wat we allemaal zagen. “Dat is … —”

Achter ons, dienblad met bier op de hand, zei Astrid:

“Ik ben wel wat aangekomen sindsdien, vinden jullie niet?”

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén