Ouwe Luuk

Verhalen van de rafelranden van de werkelijkheid

13. Verhuisd

“Geloven jullie in zielsverhuizing?”

Maarten vroeg het gretig. Hij wilde duidelijk iets kwijt.

“Ja natuurlijk,” antwoordde Johan rustig. “Ik ben verschillende keren verhuisd, en volgens mij kwam mijn ziel telkens mee.”

Maarten keek een beetje beteuterd terwijl wij hartelijk lachten. Oh, ik zal je even voorstellen, het is tenslotte al een tijd geleden: Wij, dat zijn Johan, een onderzoeker die onduidelijke dingen onderzoekt aan een onduidelijk instituut; Laurent, een beer van een vent die beweert vroeger uitsmijter bij Yab Yum te zijn geweest; Fred, die in het plaatselijk mortuarium werkte, en ik. Vergeef me dat ik niet meer over mezelf vertel. Daar heb ik mijn redenen voor.

Het was nog maar sinds kort dat Maarten regelmatig bij ons aanschoof op de vrijdagavond bij Ouwe Luuk. Eerlijk gezegd vroeg ik me af of hij het lang bij ons zou volhouden: hij was nogal goedgelovig en onze verhalen waren behoorlijk sterk.

“Het bestaat echt!” ging Maarten enthousiast verder. “Er wordt wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Kijk:”

Met een plechtig gezicht legde hij een krantenknipsel neer; zo te zien een advertentie. Laurent pakte het op en las het voor.

“Proefpersonen gevraagd voor een zielsverhuizingsexperiment. Internationaal gerenommeerd onderzoeker, bla bla bla, zoekt vrijwilligers om aan te tonen dat zielsverhuizing bestaat. Vrijwilligers moeten voldoen aan bla bla bla. Het experiment zal drie weken in beslag nemen. Er is enig risico.”

Laurent las nog wat details voor, maar wij wisten genoeg: we hadden hier van doen met hetzij een oplichter, hetzij een gek.

“Ik heb me opgegeven als vrijwilliger,” zei Maarten trots.

De eerste helft van de avond besteedden we aan het belachelijk maken van het onderzoek en van Maarten. Dat was misschien niet zo slim, want toen we de tweede helft probeerden hem van zijn voornemen af te brengen bleek Maarten koppig. Fred verloor al snel zijn belangstelling en ging de krant lezen, waarbij hij af en toe hardop een overlijdensadvertentie voorlas. Het zal wel een beroepsmisvorming zijn.

“Het onderzoek begint volgende week,” zei Maarten toen we Ouwe Luuks verlieten.

“Ik denk dat ik het zo kan regelen dat ik het eerste experiment hier kan uitvoeren. Dan zullen jullie zien.”

Lichtelijk ongerust ging ik naar huis, maar in de daaropvolgende week zette ik het van me af.

De volgende vrijdagavond kwam Maarten pas binnen toen wij er al een half uur waren. Hij keek triomfantelijk. Toen ook hij zat en bij Astrid besteld had, zette hij een klein flesje voor zich neer en legde er een vel papier naast.

“Dit,” zei Maarten plechtig terwijl hij naar het flesje wees, “is de wisseldrank. Het flesje bevat vier slokken van die drank. Iedere slok wisselt mijn ziel met een van de mensen op dit lijstje.” Hij tikte op het vel papier.

Ik bedacht me dat de naam van het drankje me bekend voorkwam, en toen realiseerde ik me dat de “onderzoeker” Harry Potter-fan moest zijn.

“Elke week neem ik een slok, en dan leef ik een week in het lichaam van een van de andere deelnemers. Kijk die namen!”, ging Maarten verder. “Fredric Farmer! Lou-Lou Landrieu! Willem van Weelde!”

Laurent keek bedenkelijk. “Dat zijn mensen hier uit de buurt… En niet de meest geziene. Volgens mij ken ik die. Fredric is een parvenu die zich mooier voordoet dan hij is. Eigenlijk heet hij Dick. Dick de Boer. Sjacheraartje.”

Maarten haalde zijn schouders op.

“Wat de echte naam van Lou-Lou is weet niemand,” vervolgende Laurent, “maar het is zeker niet Lou-Lou. Ik ken haar van mijn vroegere werk. Op zich is er niet veel mis met haar, behalve dat ze nogal wat mannen verslijt.”

“Nou èn?” bitste Maarten.

“Die Van Weelde komt me ook bekend voor, maar ik ben even kwijt waarvan precies”, vervolgde Laurent onverstoorbaar.

“Ik hoef het niet te weten. Kijk, daar gaat-ie!”

Maarten pakte het flesje, draaide de dop eraf, en nam een slok terwijl wij ongerust toekeken. Hij draaide het dopje weer op de fles, zette het voozichtig neer, pakte de rand van de tafel vast, en sloot zijn ogen. Na een paar tellen deed hij ze weer open — en wie er ook door naar buiten keek, het was niet Maarten. Even keek hij ons verbaasd aan, mompelde toen wat, en vertrok toen zonder verdere plichtplegingen. Wij keken hem verbouwereerd na, behalve Fred die de rouwadvertenties aan het uitspellen was.

De week daarop zaten Fred, Johan en ik bij Ouwe Luuk te wachten. Ik hield zenuwachtig de klok in de gaten (nee, dat deed ik niet, er hangt geen klok bij Ouwe Luuk) terwijl Fred de krant las.

Uiteindelijk kwam Laurent binnen, terwijl hij Maarten (nee, het was Maarten niet) terwijl hij Maarten meevoerde.

“Jullie hadden er zeker niet aan gedacht dat deze,” Laurent wees naar het lichaam van Maarten, “niet uit zichzelf hier zou komen? Ik ben de hele dag bezig geweest hem op te sporen en over te halen met me mee te gaan.”

Dat overhalen had er waarschijnlijk uit bestaan dat het lastig is om de ene kant op te gaan terwijl honderd kilo spieren je de andere kant op trekken. De man die niet Maarten was keek geërgerd.

“De volgende: Lou-Lou,” zei Johan. “Als ik het goed begrijp gaat deze Fredric hier wisselen met Willem van Weelde, terwijl onze Maarten van ziel wisselt met mevrouw Landrieu. Proost, zou ik zeggen!”

Niet-Maarten opende het flesje, dronk, en sloot het weer. Ditmaal sloot hij zijn ogen niet, maar na enkele tellen zagen we hoe zijn blik veranderde. De fletse blik, van de vorige bewoner, werd eerst vervangen door de naïeve van Maarten, en meteen daarna door een hongerige.

“Hallo boys,” zei hij met een intonatie waar zijn stem duidelijk niet aan gewend was. Hij greep in zijn kruis en kneep. “Ah, dat heb ik altijd al eens willen proberen… maar niet met jullie. Sorry.”

Hij stond op en liep naar de bar, waar al verscheidene personen aan het drinken waren. Het duurde nog geen half uur voordat Maarten-die-Maarten-niet-was vertrok met zijn prooi van die avond: een vrouw én een man.

Wij bleven achter, licht beledigd en erg onrustig; op Fred na die de politieberichten in de krant uitspelde.

De volgende week waren we er — uiteraard — weer. Deze bewoonster van Maarten, die er moe uitzag, was vrijwillig met Laurent meegekomen, hoewel ze zich naar elkaar wat ongemakkelijk gedroegen. Fred bladerde weer nadrukkelijk door zijn krant, alsof hij duidelijk wilde maken dat hij deze onzin maar niets vond.

“Volgende week de laatste slok, en dan krijgt Maarten zijn lichaam terug.”

Het was vreemd om die woorden uit Maartens mond te horen.

“Breng hem mijn excuses over; ik heb zijn lijf nogal uitgewoond…”

Hij grinnikte schalks.

Ooit een man met een onschuldig, naïef gezicht schalks zien lachen? Het wringt.

Johan zei: “Nu eerst Willem van Weelde. Ik ben benieuwd.”

Niet-Maarten schroefde de dop van het flesje terwijl Fred opmerkte:

“Willem van Weelde? Dat is grappig, ik las net iets…”

Hij bladerde terug terwijl Onmaarten het flesje aan zijn lippen zette.

“Kijk hier,” zei Fred. Hij las voor. “Gisteren is voor zijn huis in de stad doodgeschoten, Willem van Weelde, verdacht van meerdere moorden hoewel hij nooit veroordeeld is. De politie gaat uit van een afrekening in het criminele circuit.”

Lang voor hij uitgesproken was greep Johan naar het flesje, maar was te laat. Voorheen-Maarten slikte.

De blik in zijn ogen veranderde even terug in die van Maarten, maar deze was nu vervuld van doodsangst. Toen keken we in dode, dode ogen.

Het wezen dat Maarten niet was, haalde diep en bevend adem, alsof hij net van een zware beproeving was weergekeerd. Toen sprak hij.

“Daar ga ik dus nooit meer naar terug.” Hij pakte het flesje en gooide het op de grond stuk. De laatste slok van de drank spatte over de vloer.

“Nooit meer. De duivel hale Maarten.”

Hij grijnsde zijn tanden bloot maar zonder humor.

“O nee. Dat deed hij al.”

Verder Bericht

Vorige Bericht

Laat een reactie achter

© 2019 Ouwe Luuk

Thema door Anders Norén