“Oké, oké, ik zal het vertellen”, zeg ik.
Het is vrijdagavond, we zijn bij Ouwe Luuk, en de drank heeft rijkelijker gevloeid dan ik kan verwerken. Anders had ik beslist niet toegegeven. Die drank, overigens, is champagne, om mijn recente verhuizing te vieren. De verhuizing waarvan mijn vrienden nu de werkelijke reden willen weten. Ze geloven mijn eerdere uitleg niet.
“Omdat je naar de grote stad wilde?” lacht Siobhan. “Jij? Je bent bij uitstek een dorpsjongen. Mensen jagen je schrik aan, zeker als het er veel zijn.”
“Drie busjes vol spullen naar de stort, drie naar de kringloop, en de helft van je boeken weggedaan.” Micheal snuift. “Klinkt niet echt alsof je huis te groot was.”
Hannah klinkt enthousiaster. “Ik begrijp dat! De cultuur; alle concerten en voorstellingen in de buurt. En het nachtleven! Tot in de kleine uurtjes in de kroeg.” Ze straalt. “Fantastisch natuurlijk — voor iemand als ik. Maar jij hangt om acht uur uitgeteld op de bank en ligt om tien uur op bed.”
“Kortom,” rondt Leo de aanval af, “je hangt smoesjes op. Anderen hou je misschien voor de gek, maar ons niet. Waarom ben je écht verhuisd?”
Ik tuur in mijn glas — het is nog halfleeg — terwijl ik nadenk over hoe ik het moet vertellen. Siobhan, altijd ongeduldig, begint al dreigende geluiden te maken.
“Oké”, zeg ik nogmaals. “Ik woonde er prima. Huis voldeed, het was ruim, en ik kon er al mijn spullen kwijt; ook voor mijn wat, eh, ongebruikelijker hobby’s. Het stond aan het einde van een doodlopende weg in een rustige wijk. Te rustig, misschien, zeker sinds…” Ik maak de zin niet af. Ze weten van sinds.
“Het gebeurde op een avond in april. Of misschien was het nog maart. In elk geval, ik zat op de bank, met Jannie (de kat) op schoot, de CD van Satie was net afgelopen, en ik las een boek. Ik weet niet goed meer welk boek. Misschien een van Prifti, of misschien Schmitt, of was het toch—”
“Doet het ertoe?” interrumpeert Siobhan.
“Ah, sorry, nee. In elk geval, het was rustig en stil, en toen hoorde ik boven gestommel. Ik dacht nog even dat er mogelijk een raam klapperde, maar er was geen wind en bovendien had ik schuiframen. Het klonk ook anders. Alsof er dingen neergezet werden, of op hun plaats geschoven.”
Ik neem nog een slok van de champagne.
“Ik zat te dubben of ik moest gaan kijken, weet je. Het klonk niet luid of alarmerend, en het was waarschijnlijk niks. De kat zou van schoot moeten. Dat soort overwegingen. Ik overwoog iets te lang, want het geluid hield op voor ik besloot te gaan kijken. Ik bleef zitten en heb de rest van de avond niets meer gehoord. Misschien had ik het me verbeeld? In elk geval dacht ik er verder niet meer aan.”
“De avond daarna, echter, hoorde ik weer hetzelfde gestommel. Ik stond op (Jannie was toch naar buiten) en liep de trap op. Op de overloop: niets. Ik kijk in elke slaapkamer en de badkamer: niets. Ook op zolder: niets dat het geluid kon verklaren. En heel vreemd: het ging door, en leek ook op zolder nog steeds van boven te komen. Ik nam toen aan dat het van buiten kwam, een vliegtuig of helikopter of een rare vogel die rare geluiden maakte. Het kwam in elk geval niet uit mijn huis dus ik zette het van mij af.”
Ik zet mijn ellebogen op tafel en leun voorover. “De volgende avond werd er aangebeld.”
“Aan de deur stond een meisje van een jaar of vijftien, denk ik. Rossige krullen, vrolijke lach, vriendelijke uitstraling; een heel sympathieke verschijning. Het leek alsof ze een heel klein beetje licht gaf, maar dat kwam waarschijnlijk door de straatlantaarn die aan de overkant van de straat stond. Ze stelde zich voor als mijn nieuwe bovenbuur, en vroeg of ze een paar eieren kon lenen want ze wilde een cake bakken en had die niet in huis. Terwijl ik haar de eieren overhandigde vroeg ik of ze er met haar ouders woonde, maar alleen haar oudere broer woonde er ook.”
“Twee uur later kwam ze me een halve, nog warme cake brengen. Intussen had ik me gerealiseerd dat ik niet in een flat woonde en dus geen bovenburen kon hebben, en vroeg haar daarnaar. Ze leek niet te begrijpen wat ik bedoelde.
‘Ja, ik weet dat we niet in een flat wonen.’
‘Nee, natuurlijk staat ons huis niet op jouw huis. Wat een mal idee.’
‘Nou, gewoon, we wonen boven je. Zo raar is dat toch niet?’
Het was al laat, de cake rook lekker, en ik wilde niet moeilijk doen dus ik liet het erbij.”
“In de daaropvolgende maanden kwam ze regelmatig langs. Soms iets lenen, soms iets brengen, soms gewoon om thee te drinken. Het waren aangename onderbrekingen van het saaie thuiswerken, wanneer ik soms niemand in levenden lijve zag behalve Jannie. Een aantal keren nam ze haar broer mee, een lange blonde knaap, sportschooltype qua lichaamsbouw, maar net als zijn zus de uitstraling dat hij nog geen vlieg kwaad zou doen. En soms, als ze weer naar huis gingen, dacht ik ze op de trap naar boven te horen lopen.”
“Welke trap?” vraagt Hannah.
“Ik wou dat ik het wist.”
“Klinkt als leuke buren”, merkt Leo op. “En een beetje mysterie, maar dat maakt het alleen maar leuker.”
“Ik ben nog niet klaar.” Ik drink mijn glas leeg, iets te schielijk. De bubbels prikken in mijn neus en ik kan nog maar net een boer wegmoffelen.
“Jannie was veel buiten in die tijd”, ga ik verder. “Als het droog was stond ze meteen na haar ontbijt bij de deur te mauwen om eruit gelaten te worden, en kwam pas weer terug tegen de tijd dat het donker werd. Ik was altijd bang dat ze met muizen en vogels zou terugkomen. Het bleek dat ze ergens anders op joeg, en tweemaal met succes.
De eerste keer bracht ze… iets naar binnen dat ik niet kon thuisbrengen. Het was zo groot als een merel, en ook zwart, maar het was geen vogel. Er zaten geen veren aan. Het leek me ook geen rat; ik zag geen staart of vacht. De kat had haar prooi zo toegetakeld dat ik er verder geen wijs uit kon worden, en ik gooide het weg.
De tweede keer leefde de prooi nog. Toevallig was het buurmeisje — ja, zo noemde ik haar in gedachten wel, ook al kon ze onmogelijk naast of boven me wonen. Het buurmeisje, dus, was toevallig op dat moment op bezoek. Ze liep naar Jannie toe, knielde naast haar en hield haar hand onder Jannies bek. Zonder aarzeling liet Jannie haar prooi erin vallen en ging zich zitten wassen. De prooi had een lelijke, misvormde kop en bijna geen vacht. Hij had wel wat weg van een grote aardappel. Zijn voorpoten staken opzij, en de achterpoten naar achteren. Hij leefde nog, leek grotendeels ongedeerd, en bewoog. Toen hij op de grond gelegd werd leek hij overeind te willen krabbelen. Ik bedacht me dat hij net een klein, lelijk mensje leek. Het meisje pakte hem met een zucht weer op en bracht hem naar buiten, waar hij snel wegscharrelde.
‘Grondkabouters’ zei ze. ‘Jullie noemen ze geloof ik aardmannetjes. Toen de elfen teruggingen naar hun Heim hebben ze natuurlijk hun ongedierte niet meegenomen. Nu zitten wij ermee.'”
Ik leun achterover en kijk de kring rond. Micheal maakt een notitie op zijn telefoon terwijl hij iets mompelt als “dat verklaart veel”. De rest kijkt me afwachtend aan.
“Ik heb Jannie een tijd lang niet meer naar buiten gelaten, toen”, ging ik verder. “Een paar weken later kwam het buurmeisje langs om te vertellen dat ze gingen verhuizen naar een andere woning, maar dat de nieuwe bewoners een heel leuk stel was met drie kleine kinderen.
Nog een paar dagen later zat ik met boek, Satie en kat en hoorde opeens gestommel beneden. Ik had geen kelder. Het gestommel werd gebonk, alsof er grote, zware dingen op hun plaats gezet werden. Ik meende ook, gedempt, ruwe stemmen te horen.
Toen zette ik Jannie van mijn schoot en opende Funda op de computer.”
Mijn vrienden kijken me meelevend aan.
“Inderdaad, daarom verhuisde ik.” zucht ik. “De buurt holde achteruit.”